Terug naar de lezingenpagina

 

Het Menselijke Gemoed en de Waarlijk Echtelijke Liefde

door Ds. Paul Booth

 

Deel 1

Deel 2

Deel 3

Deel 4

 

 

 

Deel 1

 

In Swedenborgs "De Echtelijke Liefde" nummer 270 staat een Gedenkwaardig, waarin hij een ervaring beschrijft. Hij beleefde ze toen hij verdiept was in gedachten over de echtelijke liefde - het huwelijk van het goede en ware - en zich afvroeg waar in het gemoed van de mens ze zetelt. Wat hij zag en ervoer, speelde zich af in zijn gedachten; hij zag met zijn geestelijke ogen, dat wil zeggen, met zijn verstand. In de "Gedenkwaardigheden" heeft zijn werk een stijl die verschilt van die waarin de waarheden op een andere wijze geleerd worden. Ze worden hier namelijk onderwezen door middel van verhalen. Deze manier lijkt veel op het onderricht van de Heer door middel van gelijkenissen, maar in dit geval had het verhaal op hem persoonlijk betrekking. Het lijkt op de door de Profeten geschreven verhalen, waarin zij in zekere mate, als waarnemer betrokken zijn bij het verhaal, waarover ze later schrijven. Swedenborg nam echter dikwijls deel aan wat in het verhaal gebeurde.

 

Waar denkt u aan, als u nadenkt over het menselijk gemoed? Zijn het niet aandoeningen, percepties en de gedachten ervan? Kan een gedachte ontbloot zijn van enige aandoening of liefde? Laat ons, met dit in gedachten, zien wat de Heer Swedenborg opdroeg op te schrijven.

 

De gemiddelde mens die in het Woord gelooft, zou zeggen dat de profeten en andere schrijvers van Bijbelboeken, uitverkoren mensen waren wier gemoederen God had geopend zodat zij dingen konden zien die anderen niet zagen. Eenvoudigweg gezegd, die mens gelooft iets, omdat zijn geloof hem leert dat het zo is, al begrijpt hij het niet op redelijke wijze. Hij gelooft dat het zo is, omdat zijn natuurlijke zintuigen het bevestigen en daarom is het voor hem de waarheid. Hij verstaat de letterlijke betekenis van het Woord op natuurlijke wijze. Hij is er zich niet bewust van dat alleen zijn natuurlijk verstaan van het Woord geopend is, maar dat zijn geestelijk gemoed nog gesloten is vanwege de staat waarin hij is en vanwege zijn natuurlijke dat gevormd is door redeneringen en niet door de geestelijke betekenis die uit God is.

 

De mens die van de Nieuwe Kerk is en die dus in het Woord gelooft en er vertrouwen in heeft, begrijpt de verhalen die de profeten, de Evangelisten en Swedenborg schreven. Hij is het ermee eens dat bepaalde mensen uitverkoren waren om over godsdienstige waarheden te schrijven, maar hij is er zich ook van bewust dat de door hem geschreven waarheden tevens een inwendige betekenis hebben. Als hun namen in het Woord vermeld worden, wordt in de geestelijke zin niet de genoemde persoon bedoeld, maar zijn hoedanigheid.

 

Voor hen die deze Gedenkwaardigheid niet gelezen hebben, citeer ik: Eens op een morgen na de slaap, verdiepte zich mijn denken in enige verborgenheden der echtelijke liefde, en ten slotte in deze: 'In welk gebied van het menselijk gemoed zetelt de waarlijk echtelijke liefde, en vandaar in welk de echtelijke koude?' Ik wist dat de gebieden van het menselijk gemoed er drie zijn, het ene boven het andere; en dat in het laagste gebied de natuurlijke liefde woont, in het hogere de geestelijke liefde, en in het hoogste de hemelse liefde; en dat in ieder gebied het huwelijk van het goede en het ware is; en dat, omdat het goede der liefde is en het ware der wijsheid is, in ieder gebied het huwelijk is van de liefde en de wijsheid; en dat dit huwelijk het zelfde is als het huwelijk van de wil en het verstand, aangezien de wil het receptakel van de liefde is, en het verstand het receptakel van de wijsheid.

 

We lezen in die Gedenkwaardigheid dat Swedenborg in gedachten verdiept was. De hoedanigheid die hem tot een voorbeeld voor ons maakt, is dat hij een dienstknecht des Heren was. Hij schreef gehoorzaam alle dingen op die de Heer aan hem openbaarde, ofschoon sommige dingen die hij opschreef maakten dat velen hem beschouwden als iemand die niet goed snik was. We kunnen op die manier inzien dat niet de persoon Swedenborg bedoeld wordt, maar zijn hoedanigheid als dienstknecht van de Heer. Allen die net als Swedenborg dienstknechten van de Heer worden, maken het Hem mogelijk door middel van hen ten behoeve van een of ander hoger goede te werken. In die betekenis zijn ze in deze wereld van nut. Zulke mensen laten zich gewillig leiden; zij kunnen door de Heer die hun nieuwe waarheden leert, onderwezen worden want Hij geeft hun Zijn liefde. Het einddoel is immers dat zij tot een beeld en gelijkenis van de Heer worden.

 

Wij zouden ons moeten afvragen: Wat is dat beeld en die gelijkenis van de Heer? Doordat we het Oude en het Nieuwe Testament, en het Latijnse Woord, de religieuze geschriften van Swedenborg, gelezen hebben, weten we dat de hoedanigheden van God Liefde en Wijsheid zijn. Liefde wil van het zijne geven. Ze is uit God en schrijdt uit Hem voort als de Goddelijke Wijsheid. Maar waarin vloeit die Liefde en Wijsheid? Zij vloeit in de Mensheid, in Gods Schepping, in u en in mij. Zij vloeit in de wil en in het verstand die in ons geestelijk gemoed zijn. De liefde vloeit in de wil en de wijsheid in het verstand.

 

We kunnen zeggen dat de wil het opnemende en het vermogen is van Gods liefde, en dat het verstand het opnemende en het vermogen is van Zijn wijsheid. Houd die twee hoedanigheden van God, Zijn liefde en Zijn wijsheid, in gedachten en houd de twee opnemenden en vermogens, de wil en het verstand van de mens in gedachten. Ze zullen ons naderhand helpen iets te begrijpen van het in gedachten verdiept zijn, zoals Swedenborg was en hetgeen iedereen ervaren kan die verlangt te weten over welke kwestie Swedenborg nadacht.

 

Iemand die in gedachten verdiept is, bevindt zich als het ware in een andere wereld. En als iemand in gedachten verdiept is, gaan die gepaard met wat hij/zij zich in het leven eigen heeft gemaakt door middel van godsdienstige en wereldse kennis. Dat is, zo te zeggen, het beginpunt. Swedenborg wist allerlei bijzonderheden over het menselijk gemoed voor hij die andere wereld binnentrad. Hij wist dat er drie gebieden van het gemoed zijn. U herinnert zich dat hij aan het denken was over de 'echtelijke liefde'. Al weten we heel weinig over 'liefde' dan weten we toch dat liefde betekent bij elkander te willen zijn, wat men heeft met de ander te willen delen en dat er geen echte liefde is als er niet een verlangen is naar een verbinding of huwelijk tussen de twee partijen. Wat betekent het echter dat liefde is verbonden of gehuwd willen zijn met iemand? Laat ons, voor we deze vraag beantwoorden, haar in gedachten houden, want ze is van zeer veel belang voor onze overdenkingen over het menselijk gemoed en over dit verhaal oftewel deze 'Gedenkwaardigheid' met betrekking tot een ervaring van Swedenborg waarover hij schreef.

 

Keer terug naar het begin.

 

 

Deel 2

 

De eenvoudigste manier om te begrijpen wat 'echtelijk' betekent is dat het een verbinding is die 'een huwelijk' genoemd wordt. Het probleem hierbij is dat men bij het woord 'huwelijk' gewoonlijk alleen maar aan de betekenis van dit woord in de natuurlijke zin van een wettelijke verbinding van een man en een vrouw denkt, omdat ons natuurlijk verstand jammerlijk tekort schiet bij het bevatten van het begrip huwelijk in de ware betekenis ervan. Ten aanzien van de natuurlijke verbinding, die wij een huwelijk noemen, bestaat het woord echtelijk (L. conjugal). Dit woord komt in iemands gedachten als hij het hoort gebruiken. Hij denkt dan dat de spreker het verkeerd heeft uitgesproken of verkeerd gespeld, als degene die het gebruikte, het had over het woord 'conjugial' dat in het Latijnse Woord, de theologische werken van Swedenborg, staat.

 

Er is het verlangen met elkaar verbonden te zijn of worden, als twee mensen elkaar liefhebben. We hebben waarschijnlijk allemaal ervaring met dit gevoel van liefde, niet alleen als zintuiglijke sensatie maar ook op een hoger niveau. We hebben meer dan uitwendig natuurlijke gedachten als we aan een huwelijk denken, zoals eendere gevoelens en overdenkingen van een echtgenote met haar echtgenoot, en omgekeerd. Is er niet het verlangen met degene die we liefhebben, lief en leed te delen? Geeft het geen vreugde en voldoening in het bijzonder met degene die we liefhebben, te delen wat we hebben. Het is immers ons leven met de verrukkingen en genoegens ervan waarvan we hen die we beminnen, deelgenoot willen maken. Dat is iets wat tot het waarlijk echtelijke (het conjugiale) behoort. Het is dat goede met het ware ervan dat in ons moet wonen, niet alleen ons natuurlijk gemoed, onze natuurlijke wil en ons natuurlijke verstand, maar ook in de hogere gebieden, de geestelijke en de hemelse.

 

Als we ons leven en de verrukkingen en genoegens ervan met een ander willen delen, moet die liefde zich in ons vormen. Met andere woorden, hoe kan liefde gerealiseerd worden? In God en uit God is de liefde verenigd met de wijsheid; ze zijn en. Er is, zo te zeggen, een huwelijk van de liefde met de wijsheid oftewel van het goede met het ware, en omgekeerd, en wanneer die in het gemoed van een mens met elkaar verbonden zijn, in zijn wil en verstand, vormen ze zijn leven en zijn geloof uit de Heer. Dit is dat goede en ware dat uit de Heer in ons woont.

 

Als de mens de twee hoedanigheden, het goede en het ware, die uit de Heer bij hem zijn, niet opneemt, blijft hij/zij in de natuurlijke staat en kent hij slechts zintuiglijke en lichamelijke dingen. Waar zetelen het geestelijk goede en ware in het gemoed van de mens? Niet in het natuurlijke gebied. Deze hoedanigheden zetelen op geen enkele wijze in de mens, kunnen helemaal niet in hem zetelen, als die mens niet een dienstknecht van de Heer wordt net als Swedenborg, en zo een levend nut in Zijn Koninkrijk, omdat hij/zij verlangt het ware te weten en dienovereenkomstig te leven, want dan kan het ware als in een huwelijk verbonden worden met het goede in hem/haar.

 

Met dit als basis of bodem om op te bouwen, en te ondersteunen wat het Woord ons leert, zoals de waarheden die in dit prachtige verhaal staan, kunnen we verdergaan. Want alle waarheden die we leren kennen, hebben een Goddelijk doel en worden ons niet alleen gegeven om onze oren te strelen.

 

We lezen: Toen ik in de diepte van dit denken was (over: In welk gebied van het menselijk gemoed de waarlijk echtelijke liefde woont), zie, zo zag ik twee zwanen vliegende naar het noorden, en vlak daarop twee paradijsse vogels vliegende naar het zuiden, en eveneens twee tortelduiven vliegende in het oosten. En toen ik met de blik de vluchten volgde, zag ik dat het tweetal zwanen hun weg van het noorden tot het oosten ombogen, eender het tweetal paradijsse vogels van het zuiden, en zij zich vergaderden met het tweetal tortelduiven in het oosten, en tezamen vlogen tot een zeker hoog oprijzend Paleis daar, rondom hetwelk olijf-, palm-, en beukenbomen waren. In het Paleis waren drie rijen vensters, de ene boven de andere; en toen ik daarop lette, zag ik de zwanen in het Paleis invliegen door de geopende vensters in de laagste rij,  de paradijsse vogels door de geopende vensters in de middelste rij, en de tortelduiven door de geopende vensters in de hoogste rij.

 

Gedachten zijn uit God. Zij zijn in wezen waarheden en de aandoeningen ervan zijn goedheden. Toch kunnen wij de ervaring hebben dat vele gedachten uiteindelijk niet uit God blijken te zijn, omdat ze ons van Hem afkeren of niet wezenlijk naar Hem toekeren. We weten ook uit ervaring dat er tal van gedachten bij ons opkomen die geen deel van ons worden. Het schijnt of ze langs ons heen gaan. Ze zijn vluchtig, zoals woorden die het ene oor ingaan en het andere uit.

 

De gedachten van Swedenborg werden steeds meer naar binnen gekeerd, steeds inwendiger en richten zich op geestelijke dingen, zoals liefde en wijsheid, het goede en het ware. Die dingen kunnen alleen maar begrepen worden door middel van natuurlijke dingen die Goddelijke, hemelse geestelijke dingen aanduiden. Men zou, bij voorbeeld, kunnen denken: Wat hebben vogels - zwanen, paradijsvogels en tortelduiven - die in deze Gedenkwaardigheid een rol spelen, met Goddelijke, hemelse of geestelijke dingen, zoals liefde en wijsheid of het goede en het ware, te maken?

Laat mij u vragen: Wat heeft de schepping van het gevogelte des Hemels en het gedierte der aarde, of zelfs het gras, het zaadzaaiende kruid en het vruchtdragend vruchtbaar geboomte (Genesis 1: 11) met Goddelijke hemelse en geestelijke dingen te maken? Die worden alle genoemd bij de schepping en de wederverwekking van de mens. Ze moeten iets anders betekenen dan dat God ze schiep ten behoeve van het natuurlijk nut alleen. Namelijk ook voor het geestelijk nut. Er wordt in die teksten een dieper, meer inwendig ware, mee bedoeld. Deze dingen hebben een betekenis die ons meer kan leren over de Heer, de Hemel en onszelf, over hoe we uit Hem moeten leven.

 

Vogels zijn als het ware net als gedachten. We kunnen ze gadeslaan en overdenken en er onze aandacht op vestigen. Gedachten zijn geestelijke dingen die bij ons kennis worden en inzicht kunnen worden. Ze vormen de redelijke, geestelijke en verstandelijke graden van ons verstand. We krijgen ze, zo te zeggen, in het oog en als we ons erop concentreren, worden ze van nut voor ons. Dan gaan we ze samenvatten en vormen we erkentenissen, ideen en uiteindelijk leerstellingen die zelfs ons leven en ons geloof bepalen. Ze kunnen goed of boos zijn, afhankelijk van de hoedanigheid van de gedachten die we koesteren.

 

Als we, net als Swedenborg, onze gedachten op de Heer gericht houden en op hoe Zijn liefde en wijsheid dagelijks in ons binnenste invloeien en een deel van ons willen worden, krijgen ze de hoedanigheid van de Heer, welke zijn liefde en wijsheid. Dan zien we binnenin ons echte waarheden en weten wij wat het echte goede is. Met andere woorden, zij vormen zowel ons wezen als ons bestaan, want dan is er de verbinding van liefde en wijsheid, van het goede en ware in ons binnenste, als in een huwelijk. Dat is de enige manier waarop de liefde en de wijsheid van de Heer die uit Hem voortgaan als eenheid, in ons moeten wonen want die hoedanigheden zijn nauw verbonden met elkaar en niet op zichzelf staand alsof ze onafhankelijk van elkaar zouden zijn. Op een andere wijze gezegd, het ware is het ware niet, tenzij er binnenin het goede is, en het goede is het goede niet, tenzij het onthuld wordt door het ware en zich daarin en daardoor manifesteert.

 

Keer terug naar het begin.

 

 

Deel 3

 

Swedenborg zag dus met zijn geestelijke ogen twee zwanen die naar het noorden vlogen. We weten, dat de zwanen de echtelijke liefde van de natuurlijke of laagste graad van het menselijk gemoed betekenen omdat de Engel die bij Swedenborg was ons dat leert. Vertelt een gedachte ons niet iets? Ze is als een onderrichting. We kunnen proberen de betekenis ervan te leren begrijpen, maar we kunnen ze ook laten 'wegvliegen'. Als we dat doen, wordt ons gemoed steeds meer verduisterd. U kunt daarom nu begrijpen wat de twee zwanen die naar het noorden vlogen, betekenden, namelijk het onderricht over en de voorzegging van iets aan ons. Maar waarom vlogen ze naar het noorden? Dat komt doordat onze natuurlijke gedachten gescheiden zijn van de invloed van de Heer, aangezien we van nature geneigd zijn op onszelf gericht te zijn en niet op de Heer. Het gevolg is dat we dikwijls geen vertrouwen hebben in die gedachten en als we ze nader onderzoeken blijkt vaak dat wat ons toescheen waar te zijn, vaak juist het tegenovergestelde is. Want omdat we natuurlijk zijn, zijn we in onwetendheid van het echte ware.

 

In deze zin zou het kunnen dat we denken een 'goed' leven te leiden, terwijl we toch in duisternis zijn ten opzichte van wat waar is. Hoe verder onze gedachten naar het noorden vliegen des de duisterder worden de waarheden voor ons. Maar er kunnen in ons gezichtsveld als het ware andere gedachten komen, gedachten betreffende 'de echtelijke liefde' van het goede en ware, die geestelijke gedachten zijn en niet louter natuurlijke. Die worden aangeduid met de twee paradijsvogels die naar het zuiden 'vlogen'. Die gedachten worden helder, want ze zijn het tegenovergestelde van onze natuurlijke gedachten; ze leren of onderrichten ons over het leven van het ware. Op die wijze worden we inzichtsvoller door de goedheden van het ware die we eruit leren, als we ze ons als uit onszelf toeigenen.

 

Opnieuw komen de gedachten van de Heer in ons gezichtsveld. Het zijn gedachten uit het geestelijk goede, gedachten die ons het leven van het geloof leren. We spreken hier over innerlijke en uiterlijke gedachten in ons natuurlijk of uitwendig gemoed. Welnu, tortelduiven die naar het oosten vlogen, betekenen die gedachten. In het Woord betekent het oosten altijd de Heer en waar de Heer is is de liefde, want de Heer s de liefde. En samen met de liefde is er de wijsheid en daarom kunnen wij dan onderricht worden in het goede des geloofs. Wat we dus zowel in deze ervaring van Swedenborg als in de verschillende staten, de natuurlijke, de geestelijke en de hemelse staat, van een mens die in het proces van de wederverwekking is, zien, zijn gedachten van het ware en aandoeningen van het goede.

 

Als een mens onderricht wordt, brengt hem dat als het ware in een hogere staat van verstaan van het ware. Door onze aandacht meer naar binnen te richten, gaan we op geestelijke wijze begrijpen, krijgen we meer geestelijk inzicht, dat wil zeggen een hoger geestelijk verstaan. Die gedachten gaan in feite ons gemoed benvloeden oftewel ombuigen. Gedachten richten ons gemoed, onze wil en ons verstand, op de Heer of ze leiden het gemoed van Hem af. Met andere woorden, zo ontwikkelt zich ons geloof. Dat kan f een onecht of vals geloof zijn f een waar geloof. Het laatste is een geloof in de Heer. In dit verhaal van een van Swedenborgs ervaringen lezen we over het met elkaar verbonden zijn van natuurlijke, geestelijke en hemelse gedachten. Dat zijn de zwanen, de paradijsvogels en de tortelduiven. Er is een met elkaar verbonden zijn van de verschillende gedachten die in dat gemoed opkomen. Zulk een mens wordt opgeheven naar een staat waarin ze van zijn verstand en wil worden, niet alleen zijn natuurlijk verstand en zijn natuurlijke wil, maar ook van dat verstand en die wil welke hem tevens een geestelijk inzicht geven. Dit alles leidt die mens tot het onderzoeken van de geestelijke betekenis van de natuurlijke zin van het Woord. Men kan inzien dat die mens verlangt meer inzicht te krijgen dan alleen het natuurlijk of uitwendig verstand van het Woord geeft. Hij wil, als dat mogelijk is, ook iets meer weten van de geestelijke en de hemelse betekenis ervan.

 

Als de mens die kennis aanvaardt en ze zich als het ware eigen maakt, zodat ze, zo te zeggen, zijn eigendom wordt, ontvangt hij een nieuwe wil en een nieuw verstand, een nieuw gemoed dat van een zeer schone vorm is. Dat is de betekenis van het 'zeer hoog oprijzende Paleis'. Daarin wordt de aandoening van het ware geformeerd als des Heren Nieuwe Kerk binnenin de mens in de goedheden en waarheden welke uit God zijn en welke zijn leer des levens worden en zo zijn geloof.

 

Van zo'n wil en verstand, zo'n gemoed van een mens wordt nu gesproken met betrekking tot de percepties of inwendige gewaarwordingen uit God. Dat wil zeggen, dat zo'n mens inwendig een geloof heeft dat gebaseerd is op de liefde die zich manifesteert. Zo heeft die mens de perceptie van de liefde die des Heren is en ziet hij wat geestelijk goed en waar is. Dat zijn de 'bomen' rondom het Paleis - de percepties - en geslacht voor iedere graad van het menselijk gemoed, de hemelse geestelijke en natuurlijke graad. De olijfbomen zijn de perceptie van hemelse goedheden en waarheden. Dit zien we hierin dat de olijfboom, volgens de overeenstemming ervan in het Woord van het Goddelijk Menselijke, het Latijnse Woord, de hemelse Kerk aanduidt. Onder de olie van de olijf wordt het goede verstaan. Die olie werd gebruikt om de zalving van de heilige dingen van de Kerk uit te beelden. De palmbomen betekenen het geestelijk goede van de Kerk, hetwelk het goede van het ware is, want dat heeft een aandoening voor het goede. Daar woont de geestelijke Kerk in de mens. En, ten slotte, de beuken, welke de percepties zijn van het menselijk gemoed en welke het natuurlijk goede aanduiden. Deze beelden de natuurlijke Kerk in de mens uit.

 

Het uiteindelijke gevolg is dus dat er het goede is dat voortkomt uit een natuurlijk verlangen het ware te gehoorzamen door het te doen. Er is het goede dat voortkomt uit de liefde van het goede, welke de liefde van de Heer is. Dit is het geestelijke dat uit de Goddelijke Wijsheid des Heren is. En, ten derde, is er het met het ware verbonden goede, dat het hemelse is.

 

In het menselijk gemoed zijn er, als het ware, graden of gebieden, de ene boven de andere oftewel de ene binnenin de andere. Zij zijn steeds inwendiger. Binnenin de natuurlijke, uitwendige gedachten of waarheden en de aandoeningen ervan zijn de innerlijke gedachten, de geestelijke goedheden en waarheden. Daarbinnen zijn de hemelse gedachten en aandoeningen van wijsheid en liefde. Daar woont de Heer in de mens.

 

Dit kan ook op een andere manier gezien of verstaan worden. Het laagste of natuurlijke gemoed is de grond die het middelste of geestelijke gebied tot steun dient en het geestelijke gebied ondersteunt het hoogste of hemelse gebied. De drie open vensters, die Swedenborg in het Paleis zag, bevestigen dat. Het is het licht uit God dat door die vensters schijnt. Het is gemakkelijk te begrijpen dat licht het ware uitbeeldt. De vogels die door de vensters vliegen, beeldden het echte ware uit dat aan de mens wordt geopenbaard, waardoor hij inzichtsvol wordt, dat wil zeggen, de waarheden op geestelijke wijze gaat verstaan zodat hij uit het redelijke over de Liefde en Wijsheid van de Heer kan spreken. Met andere woorden, de gedachten aangaande het ware en de aandoeningen of goedheden ervan geven de mens innerlijk of geestelijk inzicht.

 

De waarheden gaan als het ware van het Woord uit voort het laagste venster oftewel de natuurlijke graad binnen. Wanneer zij zich verbinden met de goedheden, doordat de mens ernaar leeft, wordt in die graad de Kerk op aarde gevormd, die de ware Kerk in de mens zal worden. Deze is het Koninkrijk des Heren op aarde en dit leidt de mens tot het geestelijk Koninkrijk des Heren oftewel Zijn geestelijke Kerk, waarmee de Hemel bedoeld wordt. Het is hetzelfde bij de hogere en de hoogste graad of het hogere en het hoogste gebied. In ieder gebied vloeien deze gedachten en de aandoeningen ervan in, zowel die over waarheden als die over goedheden. De mens wiens vensters niet geopend zijn, wiens gemoed niet open is, voor de Goddelijke Waarheden, maar gesloten, neemt geen nieuwe redelijke waarheden op en kan daardoor niet uit het redelijke over het ware spreken. In plaats daarvan neemt hij valsheden op die voortkomen uit boze gedachten, en in plaats van redelijke waarheden te spreken of te denken redeneert hij over valsheden uit het boze. Een andere manier om te zeggen dat de Ware Kerk in een mens is, is dat de echtelijke liefde in het gemoed van een mens woont.

 

 

Keer terug naar het begin.

 

 

Deel 4

 

We keren nu weer terug naar de Gedenkwaardigheid, waarvan we het laatste deel lezen: Nadat dit was gezien, stond een Engel daar, en hij zeide: Verstaat gij wat gij gezien hebt? En ik antwoordde: Slechts een klein weinig. Hij zeide dat dat Paleis de woningen der echtelijke liefde uitbeeldt zodanig als zij zijn in de menselijke gemoederen; dat het hoogste deel ervan, waarin zich de tortelduiven begaven, het hoogste gebied des gemoeds uitbeeldt, waar de echtelijke liefde woont in de liefde van het goede met haar wijsheid; het middelste deel, waarin zich de paradijsse vogels begaven, het middelste gebied, waar de echtelijke liefde woont in de liefde van het ware met haar inzicht; en het laagste deel, waarin zich de zwanen begaven, het laagste gebied des gemoeds, waar de echtelijke liefde woont in de liefde van het gerechte en het rechte met haar wetenschap. De drie paren gevleugelden betekenen ook die dingen, het paar tortelduiven de echtelijke liefde van het hoogste gebied, het paar paradijsse vogels de echtelijke liefde van het middelste gebied, en het paar zwanen de echtelijke liefde van het laagste gebied. Eendere dingen betekenen de drie geslachten van bomen rondom het Paleis, de olijf-, de palm-, en de beukenbomen. Wij in de Hemel, wij noemen het hoogste gebied des gemoeds hemels, het middelste geestelijk, en het laagste natuurlijk; en wij doorvatten die zoals de woningen in een huis, de ene boven de andere, en de opklimming van de ene tot de andere bij graden zoals langs trappen; en in ieder deel als het ware twee kamers, de ene voor de liefde, de andere voor de wijsheid, en vooraan als het ware de slaapkamer, waar de liefde met haar wijsheid, of het goede met zijn ware, of, wat het zelfde is, waar de wil met zijn verstand, zich in het huwelijksbed vergezelschappen. In het Paleis vertonen zich alle verborgenheden der echtelijke liefde als het ware afgebeeld.

 

Als een mens dingen die niet helder voor hem/haar, wil begrijpen, zal de Heer ervoor zorgen dat hij/zij naar zijn staat het Goddelijk ware daarin ziet. Met andere woorden, als we uit de Heer goede gedachten hebben, gedachten die met het ware verbonden zijn, onderricht de Heer ons en leidt Hij ons naar het verstaan van dingen die anders voor ons verborgen zouden blijven. Als we in de aandoening zijn om het ware te weten, omdat het uit de Heer is en als we dat ware willen gehoorzamen, zal de Heer ervoor zorgen dat we er meer van begrijpen.

 

Dit nieuwe verstaan wordt door de Engel verklaard als het openen van de discrete graden. Die kan de mens niet leren doordat hij steeds meer natuurlijke kennis verzamelt. De discrete graden worden meer en meer geopend naarmate de mens dichterbij de Heer leeft, naarmate zijn aandoeningen en gedachten op de Heer gericht zijn en op Zijn hoedanigheden en attributen. Die openen de nieuwe wil en het nieuwe verstand van de mens meer en meer voor de geestelijke en hemelse dingen. De liefde des Heren, Zijn goede, en de wijsheid des Heren, Zijn ware, leven dan in die mens, in zijn nieuwe wil en zijn nieuwe verstand. Zijn nieuwe gemoed wordt steeds meer tot een beeld en gelijkenis van de Heer gemaakt. Het gevolg is dat de natuurlijke graad handelt uit de invloed van de geestelijke, want de echtelijke liefde woont in ieder gebied of iedere graad van het nieuwe gemoed van de mens en dus in iedere staat waarin de mens komt.

 

Het is in de 'liefde van het goede' waarin de mens het goede wil doen uit liefde. Dat is de hemelse graad van haar/zijn gemoed, waarin de Engelen in de hoogste graad van wijsheid zijn. Vervolgens is er 'de aandoening van het ware' om het ware te gehoorzamen. Dat is de geestelijke graad van het nieuwe gemoed van de mens, die de graad is van het inzicht. Dan is er 'de aandoening van wat gerecht en billijk' is, waardoor de mens doet wat gerecht en billijk is volgens zijn nieuw natuurlijk verstaan en volgens de waarheden die hij weet.

 

In zijn nieuwe natuurlijke gemoed, in de nieuwe wil en het nieuwe verstand, verwerft de mens zich dan als het ware uit zichzelf kennis. In zijn geestelijk gemoed verwerft hij zich inzicht en in het hemels gebied van zijn gemoed verwerft hij zich wijsheid. De paren vogels, het goede en het ware, de liefde en de wijsheid, de wil en het verstand, welke in elke graad van het nieuwe menselijke gemoed zijn, betekenen dat het gemoed volledig is van het begin tot het einde. Daar wonen het geloof en de liefde van de Heer in de mens. Een zodanig gemoed is het redelijk gemoed dat de Kerk in de mens is. Daar woont de echtelijke liefde in zijn gemoed.

 

Het is de Engel die Swedenborg vertelt over de trappen die, als het ware, het lagere gebied met het middelste en het middelste met het hoogste gebied in het gemoed van de mens verbinden. U kunt hieruit verstaan hoe de mens tot een hogere staat komt, zoals van de staat waarin hij louter natuurlijk is, tot die waarin hij geestelijk is en vervolgens hemels. De kamers in het paleis of het huis betekenen die staten in de mens. De liefde in haar kamer en de wijsheid in de hare. In het innerlijk van de mens verbinden zich de liefde en de wijsheid oftewel het goede en het ware met elkander.

 

Als over de innerlijke dingen van de mens wordt gesproken heeft dat betrekking op uitwendige gedachten die contact hebben met inwendige. Dit heet het nieuwe redelijke van de mens. In dit verhaal van het gemoed van de mens heeft de slaapkamer betrekking op zijn innerlijke oftewel redelijke. Daar is de mens verenigd met God door de liefde en daar is zijn liefde tot en geloof in de Heer. Daar is de liefde tesamen met de wijsheid ervan, het goede tesamen met het ware ervan. Daar zijn de nieuwe wil en het nieuwe verstand ervan in de mens met elkaar verbonden, want daar is het waar de leer wordt ontwikkeld en daar is, zo gezegd, het bed, dat wil zeggen, daar zijn het goede en het ware, de liefde en de wijsheid met elkaar verbonden in een huwelijk.

 

Daar woont de 'echtelijke liefde' in het nieuwe gemoed van de mens. Daarmee wordt de redelijke en natuurlijke wil, en het redelijke en natuurlijke verstand van die mens bedoeld. Uit de Heer hebben wij een menselijke en zijn wij mensen, aangezien de Heer alleen waarlijk Mens is, het Goddelijk Menselijke.

 

Er zijn in ieder mens die wederverwekt wordt, twee tegenovergestelde gemoederen, het oude gemoed waarmee alle mensen geboren worden, en het nieuwe gemoed dat tot in eeuwigheid hervormd en wederverwekt wordt. Wat hervormd wordt, is de mens van de Kerk, dat wil zeggen, de mens in wie er een begin is van de Nieuwe Kerk. In hem /haar wordt het ware des geloofs ingeplant en dit wordt verbonden met het goede der naastenliefde (Hemelse Verborgenheden 2965e). Hervorming is de volledig nieuwe vorming van een nieuw gemoed, een nieuwe wil en een nieuw verstand daaruit in de mens uit de Heer.

Ons oude gemoed komt voortdurend in opstand tegen dat nieuwe gemoed. Uit ons oude gemoed, onze oude wil en ons oude verstand, vechten wij er steeds tegen, terwijl de Heer onophoudelijk tracht de nieuwe wil en het nieuwe verstand die uit Hem zijn, in de mens te versterken, opdat Hij een nieuw gemoed in de mens kan scheppen. Dat is het gemoed waarover deze lezing handelt.

Einde

 

Keer terug naar het begin.