Terug naar de lezingenpagina

 

Lezing over de Derde Kerk.

De Derde Kerk is de IsraŽlitische en Joodse Kerk

door Ds. Paul Booth

 

Deel 1

Deel 2

Deel 3

Deel 4

Deel 5

 

 

 

Deel 1

 

Men zou kunnen zeggen dat het grootste deel van het Oude Testament hoofdzakelijk bestaat uit de natuurlijk-historische feiten betreffende de IsraŽlitische en Joodse natie. Het beschrijft haar geschiedenis uit de Geestelijke Kerk vanaf het begin ervan uit de natie die de Hebreeuwse werd genoemd, uit haar verering van afgodenbeelden en aangaande alle naties temidden van welke zij woonde. De geschiedenis vertelt over hoe zij voortkwam uit Abram en zijn familie en een grote natie werd en uit Jakob wiens naam werd IsraŽl. Een natie uit welke zekere mensen Mozes, en de profeten het Woord, het Oude Testament, schreven, opdat de mensen onderwezen over God en door Hem geleid zouden kunnen worden. Zolang die verbinding tussen God en de mens zou blijven bestaan, zou ze voorkomen dat de mens op aarde zou omkomen. Na de IsraŽlitische en Joodse Kerk stichtte de Heer de Christelijke godsdienst en Kerk door welke er opnieuw verbinding zou kunnen zijn van de mensheid met de Hemel en de Heer. In de lezing over de Oudste Kerk hebben we gezien op welke wijze de mens die eerste Kerk, de Oudste Kerk, werd, doordat hij door de wederverwekking in de tegenwoordigheid van God werd gebracht. We hebben gezien dat de tegenwoordigheid van het Goddelijke bij de mens in zijn binnenste of zijn ziel is, die de zetel is van het hemelse bij de mens. We hebben gezien dat de mensheid zich van Gods tegenwoordigheid afkeerde en in valsheden en boosheden verviel, toen zij 'als het ware' uit haar zelf of eigene begon te leven en de liefde en wijsheid van God ging verwerpen. We hebben ook geleerd dat God vanwege Zijn liefde voor de mensheid die liefde binnenin de mens bewaarde. Dit noemt het Woord 'de overblijfselen', die later te voorschijn gebracht konden worden, toen de geestelijke ontwikkeling van de mens het mogelijk maakte dat hij een beeld en gelijkenis van de Heer werd. In de lezing over de Oude Kerk zagen we het aan de dag komen op aarde van die Kerk wier Leer der Naastenliefde de mensheid weer vergemeenschapte en weer in verbinding bracht met God. Aldus werd het inwendige, het geestelijke, dat over zijn natuurlijke kon regeren en weer orde in zijn leven kon brengen, levend gemaakt worden.

 

Het werd ons duidelijk dat de Oude Kerk een uitbeeldende Kerk was, want de Heer was niet op dezelfde wijze in haar tegenwoordig als Hij dat in de Oudste Kerk geweest was. Hij was in haar tegenwoordig in de dingen van haar eredienst. En de leden van die Kerk zagen Hem in de gedaante van een Goddelijk Mens. Zij hadden ook geen perceptie of inwendig denken vanuit de Heer, waardoor ze wisten of iets wel of niet goed en waar was. In plaats van perceptie konden ze een geweten ontwikkelen, waardoor ze tot wat goed en waar was geleid konden worden. Op die manier kon de mensheid, zoals we zagen, in verbinding blijven met God en kon de Heer bij de mens zijn in zijn inwendige. Zodoende kon de mensheid indirect Zijn liefde en wijsheid opnemen. Dit geschiedde door middel van de wetenschap (het weten) van de overeenstemmingen; zij konden door volgens de echte waarheden die hun onderwezen waren en die zij dus wisten, te leven de hemelse en geestelijke betekenis van het Woord verstaan. Dit was noodzakelijk, omdat de mensheid zich van de liefde en wijsheid van de Heer had afgekeerd, zodat die voor haar gesloten was. Alles wat de mensen leerden was alleen maar uit hun eigen zelf, dat wil zeggen, was slechts natuurlijke kennis die zij met hun zintuigen opnamen. Het gevolg was dat de mensen de dingen vanuit hun eigene of proprium zagen en niet door middel van het hemelse en geestelijke dat vanuit de Heer bij hen was. Het werd ons duidelijk dat de mens van de Oude Kerk in verbinding en in gemeenschap bleef met de Heer en de Hemel, en zodoende voortschreed in zijn geestelijke ontwikkeling om een beeld en gelijkenis van de Heer te worden. De Oude Kerk verviel echter, net als de Oudste Kerk, in valsheden en haar leer der naastenliefde vervalste evenzeer als de leer der liefde tot de Heer in de Oudste Kerk veranderd was in een leer van liefde tot het eigene en tot de wereld. Op die manier kwam ook de Oude Kerk mettertijd tot een einde.

 

De volgende ontwikkeling van de Kerk op aarde leidde tot de staat van en in de mens, die de IsraŽlitische en Joodse Kerk wordt genoemd, de Derde Kerk. (Tussen haakjes, hoewel we de historische feiten van die twee eerdere Kerken in herinnering hebben geroepen, waarbij we de verdichte geschiedenissen die in de vier eerste hoofdstukken staan, hebben gebruikt, moeten we deze waarheden in hun inwendige zin beschouwen, met inbegrip van de geschiedenis van de IsraŽlieten en de Joden. We moeten dat echter doen uit een geestelijk historische zienswijze verstaan, dus, gezien in de geestelijk historische en niet in de natuurlijk historische betekenis. Met andere woorden, we moeten de Kerk en haar bestaan bij de mens in de inwendige of geestelijke zin ervan beschouwen. Historische feiten zijn uitbeeldingen en woorden zijn aanduidingen van hemelse en geestelijke dingen, dat wil zeggen, van God, de Hemel en de Kerk.) Waarover we hier dus in werkelijkheid spreken is de ontwikkeling van het besef van de bewuste tegenwoordigheid in de mens van de Heer en van Zijn vergemeenschapping en verbinding met Hem. Dat is een verbinding waarin de mens in een leven is dat niet ontwijd is door boosheden, een leven dat werkelijk rechtstreeks of onmiddellijk vanuit God is, en dat niet aangetast is door valsheden en boosheden uit de hel.

 

De voorstelling van waaruit ik spreek is dat de mens met God was; God is tegenwoordig bij de mens in diens geestelijke en hemelse staten. We zien dat in de eerste plaats in de Oudste Kerk. Die tegenwoordigheid was 'om zo te zeggen' verloren gegaan, vanwege de begeerte van de mens om zichzelf te regeren. Desniettemin zagen we dat het de vooruitgang of ontwikkeling van de mens was om tot een beeld en gelijkenis van de Heer te worden, dat hij door verschillende staten ging, uitgebeeld door de vier Kerken die op aarde verschenen voor er enige echte verbinding met God kon zijn. De mens was tenslotte geschapen als een vat waarin Gods liefde en wijsheid kon wonen. Hij /zij was geschapen met een natuurlijk lichaam dat een houder (vat) voor de Heer was, dat wil zeggen, voor Zijn goedheden en waarheden. Het is als het ware een bedekking of bekleding van het Voortgaand Goede en Ware van de Heer, waarin de mens waarlijk in vrijheid kan leven, waarin hij in vrijheid kan kiezen voor het goede en ware dat vanuit God is. God Zelf kan niet verdeeld worden. We hebben geleerd dat de mens geschapen is om in de Hemel te wonen en daar te genieten van en vreugde te scheppen in Gods tegenwoordigheid. Zo kunnen we ook verstaan dat de mens als uit zichzelf moet leven, maar tegelijkertijd moet erkennen dat hij van het leven dat hij van de Heer ontvangt, mag genieten, maar niet mag beweren dat het zijn eigen leven is.

 

Laten we nu weer terugkeren tot de Kerk die op aarde ontstond nadat de Oude Kerk ten einde gekomen was. In ieder van die vroegere Kerken was de Heer verschenen, had Hij haar geroepen en een verbond met haar gesloten. Hij formeerde haar tot een Kerk, opdat Zijn liefde oftewel goede en Zijn wijsheid oftewel ware de mensheid kon onderrichten en haar naar een staat kon leiden waarin ze verbonden was met de Engelen van de Hemel. Er was vanaf het begin van iedere Kerk en in iedere fase van de voortschrijding van haar een ontwikkeling van de verbinding met en de tegenwoordigheid van de Heer bij de mens. We zien dat Jehovah de mens tot die morgenstaat van de Kerk riep toen Hij hem gebood: Ga gij uit uw land (Genesis 12: 1). Zie naar wat ze uitbeelden en niet naar het natuurlijk-historische feit dat een mens Abram door Jehovah gezegd was dat hij zijn vaders huis uit moest gaan en naar het land moest gaan dat Jehovah hem zou wijzen. Dit is maar natuurlijke geschiedenis. Ze vertelt ons op zichzelf niets over God, de Hemel, of de wederverwekking van de mens. (Laten we ons daarom in het geheugen terugroepen dat namen in het Woord hoedanigheden en de aard ervan betekenen. In de geestelijk-historische zin betekent de naam 'Abram' de staat van de mens die geroepen is om een Kerk te worden. Het zou de staat kunnen zijn waarin u en ik gekomen zijn, want met het woord 'land' wordt in de geestelijke zin de Kerk bedoeld.) Wat betekent dit in de geestelijk-historische of inwendige zin? Iedereen die het Derde Testament leest zal zien dat in wezen vanaf het 12e hoofdstuk van Genesis in de inwendige zin de Heer erin geopenbaard wordt. Maar in de inwendige zin wordt ook de Kerk geopenbaard. Als we inzien dat de woorden in de inwendige zin een geestelijke betekenis hebben die anders is dan de betekenis in de letterlijke zin, wordt ons de ontwikkeling van de Kerk bij en in de mensheid duidelijk, want als de mens zich afkeert van de afgodendienst, wat in werkelijkheid het zich afkeren is van de zelfliefde en van de wereldse dingen, waarin hij genoegen had, keert hij zich naar God. In de lezing over de Oude Kerk is ons verteld dat de leden van die Kerk waren begonnen de beelden zelf te vereren en niet wat ze uitbeeldden, namelijk de Heer en Zijn goedheden en waarheden. Welnu, geroepen worden betekent tot een geestelijk leven geroepen worden. Per slot van rekening is de Heer God daarin bij de mens, en daarin is de verbinding van Hem met de mens en van de mens met Hem. Des mensen natuurlijke, of de natuurlijke mens, had, zoals ons onderwezen is, het bestuur van God over zijn leven verworpen, en het gevolg was geweest dat de zonde zijn intrede bij hem gedaan had. Het is de Heer die de mens uit zijn uitwendig lichamelijk en werelds leven, uit zijn boze leven, roept. Het huis van uw vader heeft betrekking op de staat van het gemoed, welke die was van het natuurlijk goede en niet van het geestelijk goede. We kunnen dat verstaan als we weten dat de woorden Ik zal u tot een groot volk maken (Genesis 12: 2) op de ware Geestelijke Kerk betrekking hebben, die het goede van het geloof is en dus het geestelijk goede, dat wil zeggen, het goede vanuit de Heer bij de mens. Zo kon de mensheid echte goedheden en waarheden leren en verstaan. De schepping van alle echte Kerken is vanuit de Heer, want Hij werkt daardoor voortdurend in de mensheid teneinde haar tot een staat te kunnen brengen waarin zij met Hem tesamen zal zijn, een staat van verbinding.

 

ť Keer terug naar het begin.

 

 

Deel 2

 

In ieder op aarde gevestigde Kerk is de Heer God aan de mens verschenen. Men kan zich afvragen waarom dat noodzakelijk gebeurde en op welke wijze de Heer verscheen, aangezien er een scheiding was en nu nog is tussen God en de mens die alleen maar in deze uitwendige wereld leeft. Welnu, aangezien de mensheid de Heer als de Bron en Onderhouder van zijn leven, dat wil zeggen, van het goede en ware, verworpen heeft, moet zij alle kennis over God door middel van de natuurlijke zintuigen verkrijgen. Zij kan daardoor geestelijke dingen niet zonder een Openbaring vanuit God verstaan. De mensheid is allerlei beelden die, volgens zijn fantasie, God uitbeelden, gaan vereren en blijft dat zonder goddelijke openbaring doen. U kunt dat zien uit het feit dat de Geestelijke Kerk tot zulk een afgodendienst kwam toen zij de kennis of het weten van de overeenstemmingen verloor, toen de waarheden slechts door middel van verschijningsvormen konden worden begrepen, verschijningsvormen die haar leden tot begoochelingen voerden en ten slotte tot valsheden, hoewel zij meenden dat het waarheden waren.

 

De Derde Kerk de IsraŽlitische en Joodse werd, toen ze nog een zuigeling was, door Jehovah geroepen de begoochelingen, valsheden en boosheden te verlaten en Jehovah te volgen als de ene, ware God. In deze prille staat verlangde zij uiteindelijk, net als de hedendaagse mens, God te erkennen als haar Verlosser. Maar het is voor de mens onmogelijk God te erkennen als Hij Zich niet aan hem geopenbaard heeft. U zult toegeven dat men een God die men niet kent, niet kan vereren. Daarom is er, zelfs heden ten dage, in godsdienst iets wat op zijn minst betrekking heeft op God. De vorm die door de IsraŽlitische en Joodse Kerk, en door de Christelijke Kerken, erkend wordt als God is die van een Persoon in Menselijke Vorm. We kunnen dat verstaan, aangezien de hedendaagse mens geen innerlijke gewaarwording heeft van goedheden en waarheden, dat wil zeggen, dat hij geen perceptie heeft zoals zij die van de Oudste Kerk waren. Alles wat de hedendaagse mens leert en dus weet gaat zijn geheugen binnen door middel van zijn uitwendige zintuigen. Er wordt vermeld dat God aan de mensen van de Oudste Kerk als een man, als een mens verscheen. De mensen die als zodanig verschenen, waren Engelen. Met andere woorden, de gehele natuur, de gehele wereld die de mensen omringt, ziet, voelt en ademt hij, en zijn gemoed vormt zich uit en neemt een redelijke aan uit de natuur, en hij begrijpt niets van geestelijke of godsdienstige dingen totdat hij door de Heer verlicht wordt. Met andere woorden, wat tot het redelijke van die mens behoort zijn wereldse dingen en niet hemelse, natuurlijke dingen en geen geestelijke. U kunt begrijpen dat een mens om geestelijke dingen te gaan verstaan, moet beginnen met God te erkennen. Daarom openbaart God Zich aan de mens en in dit geval gebeurde dat in de vorm van een Engel, die de mens uit zijn staat van duisternis en van zonder enig goede en ware te zijn, riep, opdat hij Hem zou gaan kennen en erkennen. De mens die deze roep hoort, kan door Gods Goddelijke Geest  bezield naar de Hemel geleid worden. U kunt gaan begrijpen dat dit vanwege de aard van de mens is: zo'n mens moet door middel van zijn zintuigen en dus door middel van het geschreven Woord onderricht worden.

 

We kunnen in het Woord het verhaal van de verschijning van de Heer aan Abraham lezen. Daarna verscheen hem Jehovah in de eikenbossen van Mamre, als hij in de deur der tent zat, &Ö; En hij hief zijn ogen op en zag; en ziet, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij hen zag, zo liep hij hun tegemoet van de deur der tent, en boog zich ter aarde. En hij zeide: Heer! als ik nu genade gevonden heb in Uw ogen, zo gaat toch niet heen van Uw knecht (Genesis 18: 1-3).

 

De mens is van zichzelf zodanig dat hij de dingen ziet oftewel verstaat door middel van zijn zintuigen. Hij kan in die staat inwendige dingen, geestelijke dingen, niet verstaan. Daarom manifesteerde Jehovah, de Heer, Zich door de drie mannen die Abraham zag, dat wil zeggen, door de Engelen. Hierin was de Derde Kerk. Ze werd gesticht door middel van wetenschappelijke of redelijke dingen. De mens was toen en is ook heden ten dage, zoals we aangetoond hebben, in een staat dat hij geen perceptie heeft, maar hij kan in zichzelf een geweten ontwikkelen. Als hij naar zijn geweten denkt en handelt, kan hij beginnen te weten of iets vanuit de Heer, en dus goed en waar, is of niet. Eerder hebben we, in de lezing over de Oude Kerk, gesproken over een inwendige stem, die het overblijfsel was van de inwendige gewaarwording, dat zij ('Adam en Eva') nog bezaten. Deze stem wordt in de mens 'het geweten' genoemd. Hierdoor komen de heilige dingen tot hem en wordt de Kerk in hem gevestigd. Met zijn ogen opheffen wordt bedoeld als het ware van binnenuit of boven zichzelf vanuit de Heer verstaan of zien. Laat ons nu proberen te zien wat er verstaan wordt onder dat Abraham als het ware drie mannen zag. De Heer Jehovah had Zich aan hem gemanifesteerd door middel van Engelen. We moeten begrijpen dat Engelen meer 'mens' zijn dan de mens die niets van het goede en ware in zich heeft en die zoals een beest is. We moeten beseffen dat de mens vanwege zijn zondige aard of staat, de tegenwoordigheid van God niet kan begrijpen, want als die in zijn uitwendig natuurlijke staat bij hem zou zijn, zodat hij ze zag, zou ze als een vuur zijn dat hout verteert. De mens betekent een bepaalde hoedanigheid, dus de hoedanigheden die Abraham in de gestalten van de drie mannen zag, waren het Goddelijke Zelf, het Goddelijk Menselijke en het Goddelijke Voortgaand. Drie betekent hetgeen van het begin tot het eind volledig is. U kunt inzien dat dit een uitbeelding van de Heer was. Hij verscheen aan Abraham als drie mannen. Die beeldden Hem uit. Abraham erkende niet dat er drie mannen waren, maar voor hem was er slechts ťen. Hij zei niet: 'O, Heren', maar 'O, Heer'. Heden ten dage hebben wij het voorrecht dat we in het bezit zijn van het Derde Testament en daardoor kunnen weten dat de Heer, de Verlosser, op deze wijze aan hem verscheen in Zijn Goddelijke Drievuldigheid. Drie mannen, die Engelen waren, beeldden de Goddelijke Eenheid in de Goddelijke Drievuldigheid uit. Dit wordt bevestigd door het vervolg van het verhaal. Nu eens wordt er gesproken van drie mannen, dan weer van Jehovah. En er wordt ons, toen er sprake was van Sodom en Gomorra, verteld dat daar in de avond twee Engelen kwamen.

 

Er wordt ons later weer verteld dat Jehovah verscheen. Deze keer was dat aan Mozes die de leider werd van de IsraŽlitische en Joodse Kerk. Er staat in Exodus: En aan de berg, Horeb, verscheen de Engel van Jehovah hem in een vuurvlam uit het midden van een braambos (3: 1, 2). Ik herinner u eraan dat we de inwendige uitbeeldingen van de geestelijk-historische zin van het Woord trachten te vinden. Als wij willen begrijpen wat Mozes uitbeeldde toen hij de brandende braambos zag, moeten we ons realiseren dat hij die zag vanuit de geestelijk-wetenschappelijke waarheden. Want het vuur en de vlam ervan betekent de Goddelijke Liefde. En in eerdere lezingen is ons geleerd dat bomen, en in dit geval een braambos, in de inwendige zin percepties en erkentenissen betekenen, de wetenschappelijke waarheden van de Kerk. Mozes moet gezien worden ten aanzien van zijn hoedanigheid, dat wil zeggen, als een mens die de Heer God wilde kennen. God riep hem en Mozes antwoordde: Zie, hier ben ik. En God zei: Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isašk, en de God van Jakob. Hieronder moeten wij het Goddelijke Zelf en het Goddelijk Menselijke verstaan. Door de overeenstemmingen weten we dat met de hoedanigheid van Abraham het Goddelijke Zelf wordt aangeduid, met die van Isašk het Goddelijk Redelijke en met die van Jakob het Goddelijk Natuurlijke. Die namen zijn vanzelfsprekend slechts uitbeeldend, want het is het wetenschappelijke van die dingen dat zich in het verstand van Mozes als zodanig vertoont, wanneer hij geroepen wordt inwendig de Heer als God te erkennen, hetgeen leidt tot de stichting van de IsraŽlitische en Joodse Kerk.

 

Hier zien we in deze tekst ook dat God de IsraŽlieten riep met de woorden: Daarom ben Ik nedergekomen, dat Ik Mijn volk verlosse uit de hand der Egyptenaren, en het opvoere uit dit land, &Ö; naar een land, vloeiende van melk en honig (Kanašn) (Exodus 3: 8). Wij weten dat Jehovah de 'IsraŽlieten' in ons uit de macht van de valsheden en de vervalste dingen, die de waarheden van de Kerk bij ons vernietigen, verlost. Hij maakt dat er een verbond ontstaat tussen hen en de Hemel dat het goede der naastenliefde en het ware van het geloof wordt. Het is immers het Koninkrijk des Heren waarin de Geestelijke Kerk bij de mens regeert. Daarheen roept Jehovah hen. Dat kan op deze wijze verstaan worden: De mensheid heeft zich van de Heer afgekeerd en leeft zonder Hem. Daarom was (en is) haar leven een vals en boos leven. De Heer roept ieder mens voortdurend uit dit boze leven tot een geestelijk leven waarin hij in goedheden en waarheden kan leven. Dat is de inwendige betekenis van het naar het land Kanašn geleid worden. U vraagt zich misschien af waarom het Joodse volk naar het land gevoerd werd waar de Kanašnieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten woonden. Want volgens de letterlijke betekenis van het Woord waren dat allemaal vijanden van de Joden en IsraŽlieten. Ze konden door hen gevangengenomen en overheerst worden. Uit de geestelijke zin blijkt echter dat ze de resten waren van de Geestelijke Kerk, die niet in enige verlichte staat meer waren. Dat was de natie van de HebreŽrs waaruit Abraham door de Heer geroepen werd, ook niet. De Kanašnieten en de Ferezieten, bijvoorbeeld, die in het land Kanašn woonden, dat, zoals we weten de Kerk uitbeeldde, betekenen de overgeŽrfde boosheden en valsheden van hen wier uitwendige heerste. Die staat moest ten aanzien daarvan verwoest worden. De Amorieten betekenen het boze waaruit deze valsheden ontstaan, dat onderworpen moet worden. De Hevieten en de Jebusieten betekenen de afgodendiensten waarin iets van het goede en ware van de Heer is. Zij stemmen overeen met iets in de Hemel. Maar zij wisten niet meer wat die overeenstemming was.

 

Jehovah verscheen ook aan het volk dat deze Kerk werd. We lezen daarover in Exodus 19 van vers 11 tot en met vers 24. In vers 11 staat: Dat zij bereid zijn tegen de derde dag; want op de derde dag zal de Heer voor de ogen van al het volk afkomen. Met de (voor)bereiding wordt hun heiliging bedoeld, opdat zij in heiligheid mochten verschijnen. Met andere woorden, hun uitwendige moest slechts een bedekking zijn van hun innerlijk. Ik wijs u erop dat deze Kerk in feite niet een Uitbeeldende Kerk was, zoals de Oude Kerk, maar de uitbeelding van een Kerk. Om dit te verduidelijken het volgende. Jakob, die de uitwendige Kerk of de uitwendige mens van deze Kerk uitbeeldt en dus het natuurlijk ware van de letterlijke zin. Dit is een verschijningsvorm van het ware. Later werd Jakob IsraŽl genoemd en toen beeldde hij de Joodse Kerk en, in de inwendige zin, de Oude Kerk uit, die uitwendig geworden was. Dit wordt bevestigd door Amos 6 vers 8, waarin geschreven staat: Jehovah God heeft gezworen bij Zichzelf (spreekt Jehovah, de God der heirscharen): Ik heb een gruwel van Jakobs hovaardij, en Ik haat zijn paleizen; daarom zal Ik de stad en haar volheid overleveren. Dit onthult dat de liefde en het geloof bij hen vals waren. Stad betekent hier een boze en valse leer. Jakob had 12 zonen. Van tien van hen was Leah de moeder. Zij betekenen de waarheden van de uitwendige Kerk. Onder de twee zonen van Rachel worden de waarheden van de inwendige Kerk verstaan. Hieronder worden verzoekingen en de worstelingen in de verzoekingen verstaan, die een mens geestelijk maken, dat wil zeggen, hem wederverwekken. Daarom werd Jakob later IsraŽl genoemd en van hem was de Derde Kerk op aarde, de IsraŽlitische en Joodse Kerk.

 

ť Keer terug naar het begin.

 

 

Deel 3

 

Men kan inzien wat de eerste staat van deze Kerk was. Net als de mens van de vroegere Kerken voor hij/zij wederverwekt werd, in een staat gebracht werd, waarin hij/zij in een zekere vergemeenschapping en verbinding met God was, zij het dat hij nog in boosheden en valsheden was en in zijn uitwendige oftewel zonder enige vergemeenschapping met God leefde, was dat het geval met de mens van deze Kerk. Maar het is God die desniettemin binnenin een mens werkt en hem/haar uit zo'n leven van boosheden en valsheden tot een nieuw leven van goedheden en waarheden roept. Het is de verschijning van de Heer aan die mens volgens diens verstaan. Dat is dan nog slechts een uitwendig verstaan zonder enig weten van het echte goede en ware. Deze Kerk, de derde op aarde gevestigde Kerk, had geen kennis van de overeenstemmingen van de hemelse dingen met de aardse en kon daardoor zelfs geen Uitbeeldende Kerk worden, zoals de Oude Kerk. Ze kon slechts de uitbeelding van een Kerk worden. Dat was de morgen van de Derde of IsraŽlitische en Joodse Kerk, haar eerste staat, toen Jehovah haar riep. Het is ook de staat van een mens die geroepen wordt een Kerk te worden.

 

Net als de mens moet een Kerk onderricht worden en dan te Zijner tijd ingeleid worden in de tegenwoordigheid van de Heer. We hebben dat zien gebeuren met de mens van de Oudste Kerk, die in de Hof van Eden werd gezet en in een staat van rust en vrede kwam nadat hij wederverwekt was. We hebben gehoord dat onder Noach, die een wijngaard plantte, de Oude Kerk beschreven wordt. Dit betekent, zoals ons geleerd is, het Woord, waarin het ware van de leer der Oudste Kerk door middel van overeenstemmingen geleerd wordt. Welnu, hoe werd het onderwezen in deze Kerk de Derde Kerk aangezien deze leringen voor de mensheid verloren gegaan waren? We kunnen inzien dat ook dat door middel van het Woord was. En het eerste dat we zien, is Gods Tien Geboden, die opgeschreven werden. Deze Kerk werd dus ook onderricht door God Zelf hoe ze moest leven. Door middel van de IsraŽlieten werd het Oude Testament geschreven. Wij weten dat uit de natuurlijke geschiedenis.

 

De Kerk kreeg dus haar onderricht door middel van het Woord des Heren aan haar en het Woord dat zij kreeg, moest aangepast worden aan haar staat. Het Woord van de Oude Kerk was geschreven in uitbeeldingen en aanduidingen. Deze ontleende zij aan wat de Oudste Kerk geleerd had door middel van de wetenschap der overeenstemmingen, die te boek gesteld werd ten nutte van haar. We kunnen echter zien dat het Hebreeuwse Woord, het Oude Testament, die overeenstemmingen niet leerde en ook niet bevatte. Als zodanig kon en kan een mens niet opgeheven worden tot een geestelijke staat, tenzij hij verlicht werd en wordt. De mensheid leefde en leeft alleen in een natuurlijke of uitwendige staat, welke, tenzij zij onderricht wordt, maakt dat zij zich steeds verder van God zal afkeren. We hebben gezien dat de Heer Zelf vůor Hij Vlees werd, dat wil zeggen, vůor Hij de eerste keer tot de mensheid op aarde kwam, Engelen Hem uitbeeldden. U kunt nagaan hoe uitwendig en natuurlijk de mensheid was, doch niet alleen dat, maar zij kon ook pas redelijk en geestelijk worden na de Komst van de Heer op aarde en zijn Verheerlijking, dat wil zeggen, nadat Hij het Goddelijk Menselijke in de tijd had aangenomen. Hierdoor werd God Mens en werd dť Mens God. De staat waarin de IsraŽlitische Kerk was, kon de Heer niet met zijn Goddelijk Hemelse noch met zijn Geestelijk Menselijke binnengaan, want dan zou die Kerk verwoest zijn, dan zou de mensheid verteerd zijn als een stuk hout dat in het vuur geworpen is. De mens moet door middel van zijn zintuigen, dat wil zeggen, door middel van het natuurlijke onderricht worden. Anders kan de mens niet met de Heer verbonden worden. Daarom nam de Heer het natuurlijk menselijke door middel van Maria aan en maakte Hij Zijn Menselijke Goddelijk doordat Hij de boosheden en de valsheden van het moederlijk menselijke overwon.

 

Ik zou u er hier graag op willen wijzen dat de staat waarin de IsraŽlitische en Joodse Kerk was, een uitwendige of natuurlijke zonder een inwendige en zonder enige verbinding of vergemeenschapping met God was. Dat is de staat waarin zeer velen heden ten dage komen als zij die van de onschuld van de zuigelingschap en de prille kinderjaren ontgroeid zijn. Het is een staat waarin een mens eerst moet komen om de staat van zijn wederverwekking binnen te kunnen gaan en zodoende verlost te kunnen worden.

 

We zien dat als een mens tot de Kerk geroepen wordt, hij onderricht wordt in de leer en de geboden, volgens de staat waarin hij is. We hebben gezien dat dit ook zo was ten aanzien van de IsraŽlitische en Joodse Kerk toen haar de Tien Geboden op de berg SinaÔ gegeven werden. Daarin werd haar de liefde van en tot God en de liefde jegens de naaste geleerd, welke tot uitdrukking kwam in het geloof in God en de liefde jegens de naaste. Niet alleen werden haar de Tien Geboden gegeven, maar ook wetten en statuten betreffende de Sabbat, feestdagen, offeranden, de priesterschap en vele andere dingen, zoals huwelijken en echtscheidingen. Deze zijn alle te vinden in de vier laatste Boeken van Mozes en zijn geboden voor die Kerk. Maar in de inwendige zin ervan zijn de dingen die de Heer ons wil leren. Daaruit kan de mens gaan inzien dat het Woord een inwendige zin bevat.

 

Deze eerste staat kan vergeleken worden met die van de zondvloed die Noach of de Tweede Kerk, de Geestelijke Kerk, doormaakte. Eerst werd de Derde Kerk onderricht in de woestijn en daarna het land Kanašn binnengeleid. Dit werd uitgebeeld doordat Noach en zijn zonen na de zondvloed droog land vonden. Toen de IsraŽlieten en Joden in Kanašn woonden, breidden de profeten van de Boeken Richteren, SamuŽl en Koningen, de MozaÔsche waren uit. Dat was de tweede staat van die Kerk. Om ons te helpen die twee staten die van het verschijnen, het roepen en het verbond sluiten, en die van het onderrichten en het inleiden in de Kerk te verstaan, slaan we de Boeken Hosea, 2 SamuŽl en Deuteronomium op, waarin over die twee staten gesproken wordt. Wij lezen in Hosea: Hij zal ons na twee dagen levend maken; op de derde dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven. &Ö; Zijn uitgang is bereid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade(late) regen en de vroege regen des lands (Hosea 6: 2,3). Jehovah is de Heer. Levend maken betekent hier op geestelijke wijze levend maken, want het natuurlijke lichaam is slechts een bedekking en het handelt vanuit de geest binnenin. In de inwendige zin betekent twee met betrekking tot tijd en staat wat voorafgaat aan hun oordeel en de 'derde dag' betekent het einde van de voorbereiding van de mens om in de Kerk toegelaten te worden. Met de woorden 'ons doen verrijzen' wordt bedoeld de mens in de geestelijke staat brengen. Wat hier dus beschreven wordt is de eerste staat van een Kerk, die in het Woord 'haar morgen' wordt genoemd. Van 'regen' wordt gesproken, omdat onder water de waarheden worden verstaan. Zij zijn een zegen, want ze betekenen de invloed van de Heer in de mens door middel van Zijn goedheden en waarheden. Als de waarheden bij de mens invloeien in de staat waarin hij dan is, die een uitwendige is, beginnen er verzoekingen te komen. Dat is de tweede staat van die Kerk. Hier betekent 'de spade regen' het geestelijk ware. Over de Vierde Kerk op aarde, de Christelijke Kerk, wordt hier ook geprofeteerd. Het is ons bekend dat de mens in deze derde staat der Kerk de Heer nog niet kon opnemen, omdat Hij nog geen Natuurlijk Menselijke had. Hij kon niet in het natuurlijke van de mens binnengaan. Ik herinner u eraan dat de Heer in de ziel van de mens en in zijn geest woont. In de tijd waarover de tekst handelt, had de Heer een Hemels en een Geestelijk Menselijke, maar nog geen Natuurlijk Menselijke. Maar de hemelse en de geestelijke graad waren bij de mensheid gesloten vanwege haar zondige aard. Zij had het ware van God en Zijn goede om haar te leiden, verworpen. Deze Kerk ging dus door twee staten, de staat van de morgen en die van de dag of het licht. Die twee staten waren vanuit de Heer. Ze worden in het Woord bevestigd in 2 SamuŽl 23 vers 3 en 4, waar staat: De God IsraŽls heeft gezegd, de Rotssteen IsraŽls heeft tot mij gesproken &Ö; Hij zal zijn gelijk het licht des morgens &Ö; des morgens zonder wolken. Dat is de Heer die het Ware is van de IsraŽlitische en Joodse Kerk. Aangezien de Kerk in de mens is, kunnen wij hieruit verstaan dat de twee eerdere Kerken de Hemelse en de Geestelijke de twee staten uitbeelden waardoor de mens heengaat tijdens de zuigelingschap, de kindsheid en de jeugd. De eerste staat heeft betrekking op de tegenwoordigheid van God in de ziel van de mens, de tweede op het onderricht dat de mens ontvangt die vanuit God gaat leven. Het eerste is hemels, het tweede geestelijk. Beide worden uitgebeeld door de Oudste Kerk en de Oude Kerk.

 

ť Keer terug naar het begin.

 

 

Deel 4

 

Het is nodig dat wij weten en verstaan wat de IsraŽlitische en Joodse Kerk uitbeeldt. Tot zoverre zijn we tot de tijd gevoerd waarin de IsraŽlitische Kerk de staat had bereikt dat ze verderging het licht of het ware van de dag in en het land Kanašn binnentrok. We moeten echter op een duidelijker wijze begrijpen wat dit alles in verband met de Kerk betekent. Hoedanig was haar eredienst? Er is ons al eerder ontvouwd dat ze door middel van overeenstemmingen, uitbeeldingen en aanduidingen geschiedde. Deze verbinden de natuurlijke wereld met de geestelijke. Met het einde van de Geestelijke Kerk eindigde ook het Woord bij hen en dus ook het weten van de overeenstemmingen. De IsraŽlitische en Joodse Kerk die toen opgericht werd, miste deze kennis. Toch moest er een mogelijkheid zijn van een verbinding tussen de mensheid en de Geestelijke wereld, in het bijzonder de Hemel, wilde de mens zich kunnen verheugen in de liefde Gods. Zij die tot de IsraŽlitische en Joodse Kerk behoorden, hadden alleen maar een uitwendige eredienst, zoals we kunnen zien aan het Oude Testament. Ze moesten door uitwendige middelen geleid worden, en die uitwendige middelen geschiedden door middel van wonderen. Daarom zien we dat er in die Kerk zo vele wonderen gebeurden, waaraan in de eerste Christelijke Kerk een einde kwam. Wonderen dreven hen tot hun eredienst, waarin de uitwendige uitbeeldende dingen als heilig vereerd werden. Zo werden zij ertoe gebracht de geboden des Heren te gehoorzamen, maar ze keerden al spoedig weer terug tot hun aanbidding van andere goden, totdat ze opnieuw een wonder zagen gebeuren. Alleen bij hen die in louter uitwendige eredienst zijn, gebeuren uitwendige wonderen, want dat is uitbeeldend en aanduidend voor het natuurlijke dat hen met de geestelijke wereld verbindt en op die manier kan het leven van hen blijven bestaan. Alleen zo kon de mens door de Heer geleid en uit de hel verlost worden. We zien ook in dat die Kerk niet op geestelijke wijze met de Heer verbonden kon worden en een uitwendige Kerk bleef zonder een inwendige. Met andere woorden, zij verstonden niet op geestelijke wijze wat de uitbeeldende dingen die in hun eredienst gebruikt werden, betekenden. Ze wisten alleen maar dat als zij de geboden gehoorzaamden en hun eredienst uitoefenden zoals hun geleerd was, dat hun ten goede kwam. Want zij wilden de grootste natie zijn en over alle andere naties regeren.

 

In een dergelijke eredienst is er geen verzet van het uitwendige tegen het inwendige. Daarom schaadden de uitwendige wonderen hun geloof niet. Dat zou wel het geval zijn bij hen die tot de ware Kerk willen behoren. Wonderen dragen niets bij tot het ware geloof. Men kan dat inzien als men bedenkt dat de in de IsraŽlitische Kerk verrichte wonderen geen effect op hen hadden. Zij keerden steeds weer terug naar hun oude leven. Daar zijn voorbeelden van. In Genesis 14: 16 lezen we dat de kinderen IsraŽls in de woestijn werden geleid en dat hun bevolen werd Jehovah daar te dienen en Hem alleen te aanbidden. Welnu, onder de woestijn wordt het land verstaan dat niet bewoonbaar is en waar geen civilisatie is. De Heer ging ook de woestijn in en werd daar verzocht. Het is derhalve het gebied waarin de mensen van de IsraŽlitische en Joodse Kerk werden verzocht, waarin ze onderricht werden en een leer ontvouwden. De inwendige Kerk in de Hemel was gesloten zoals ze ook bij de mens gesloten was. Wat zij in acht namen was een natuurlijk goede uit de uitwendige waarheden van het geloof dat hun ingeprent was. U herinnert zich toch dat ze in Egypte hadden geleefd, hetgeen in de geestelijke zin een staat is van het (door de boze geesten) bestookt worden en van in twijfel zijn. Dat is de staat van de Kerk en van de mens van de Kerk voor de Komst van de Heer bij hem. We weten dat zij in de tijd van hun gevangenschap in Egypte verscheidene goden aanbaden en niet ťen God, zoals ze deden toen ze het land Kanašn binnengeleid werden. Ze noemden toen hun God de God van de IsraŽlieten en de Joden Jehovah. Ze geloofden dat Jehovah een grotere God was dan alle andere goden vanwege de wonderen waarvan zij getuige waren. Maar als de wonderen ophielden, vervielen zij weer tot hun afgodendienst waarin ze andere goden aanbaden. Hun eredienst was een louter uitwendige die ze met de mond beleden, maar waarin ze niet werkelijk geloofden.

 

De onderrichtingen, die letterlijk Gods Woord voor hen waren, leidden hen uit de valsheden. Mozes werd door Jehovah bevolen het hoofd te bieden aan Farao en van hem te eisen dat hij de kinderen IsraŽls zou vrijlaten. Zij moesten Jehovah dienen en konden dat alleen maar op geestelijke wijze doen, want anders was het geen vrijwillige dienst. Het natuurlijke van de mens wordt immers beheerst door boosheden en de valsheden ervan. We moeten hier aan toevoegen dat onder de woorden 'Mijn volk' zij die van de Geestelijke Kerk zijn, worden verstaan. Met andere woorden God roept, als het ware, de mens naar de Geestelijke Kerk. Hij kwam op aarde om de Geestelijke Kerk te verlossen. Want daarin wordt de mens verbonden en vergemeenschapt met de Heer en de Heer met de mens. Men moet begrijpen dat de IsraŽlieten slechts 'het volk van Jehovah' uitbeeldden. Ze waren niet beter dan andere mensen die toen leefden. In feite aanbaden ze in hun hart dezelfde goden als de Egyptenaren, zoals blijkt uit hun aanbidding van het gouden kalf dat ze zelf gemaakt hadden. We weten ook dat ze meenden dat hun zonden afgewassen konden worden zoals vuil met water wordt verwijderd. Ziet u, ze waren helemaal niet uitverkoren, maar ze beeldden in hun erediensten slechts hemelse dingen uit zonder te weten wat die uitbeeldingen betekenden. Hun eredienst was een uitwendige eredienst zonder inwendige. Het uitwendige en het inwendige waren van elkaar gescheiden want het inwendige was bij hen gesloten. Daarom kon het Woord ten aanzien van de letter door hen geschreven worden, want in de onderscheiden dingen die tot hun eredienst behoorden, kon de Heer en Zijn Rijk uitgebeeld worden, dat wil zeggen, Zijn Goede en Ware. Het verschil tussen hen en andere naties was dat andere naties hun afgoden als goden zelf aanbaden, maar de IsraŽlitische en Joodse natie aanbad een onzichtbare God, en wat tot hun eredienst behoorde, had feitelijk geen betrekking op die God, maar was een uitbeeldende eredienst van de dingen des Hemels, de goedheden en waarheden, en de aandoeningen ervan. Als ze de Geboden om de Heer en de naaste lief te hebben zoals hun in de Tafelen der Tien Geboden geleerd werd, op hun wijze gehoorzaamden, konden zij een natuurlijk goede hebben, hoewel het slechts uit het zelf van hen was.

 

Na verloop van tijd werd hun rijk verdeeld in tweeŽn, een IsraŽlitisch en een Joods koninkrijk. Dit was het gevolg van hun wens door een koning geregeerd te worden zoals dat ook het geval was bij de naties rondom hen. Hieruit blijkt ook dat die Kerk slechts de dingen van de Hemel uitbeeldde, namelijk, een Hemels Rijk en een Geestelijk Rijk.

 

Er werd al eerder vastgesteld dat in deze Kerk een afgodendienst bestond. We vestigen onze aandacht nu op de Tien Geboden die hun gegeven werden en waardoor zij onderricht en geleid werden. In die Geboden lezen we: Ik ben een ijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen (Exodus 20: 5). Het was hun streng verboden andere goden te aanbidden, omdat de aanbidding van andere goden alles wat de Kerk uitbeeldde, vernietigde. We moeten beseffen dat de verering van andere goden zal maken dat de uitbeelding van het Goddelijk zal vergaan en dat de vergemeenschapping met de Hemel zal ophouden. U gaat nu ongetwijfeld inzien dat de godsdienst van deze Derde Kerk ten slotte niet de godsdienst van een uitbeeldende Kerk was, maar slechts van de uitbeelding van een Kerk. Om enigszins te begrijpen van welke aarde de IsraŽlieten en de Joden waren, hoeven we slechts Exodus 20: 23 te lezen, waar beschreven staat dat Jehovah Mozes opdroeg tot hen te zeggen dat ze geen goden van zilver en ook geen goden van goud mochten maken. Ziet u, zij zouden uit zichzelf wel beelden van zilver en van goud gemaakt hebben, en ze vereerd hebben als goden, omdat ze meenden dat ze heilig waren, omdat hun inwendige gescheiden was van hun uitwendige. We weten dat ze dat ook deden.

 

In Exodus 24:1 wordt Mozes, Ašron en anderen bevolen tot Jehovah op te klimmen en zich van verre voor Jehovah neder te buigen. In die staat keerde het (joodse) volk zich van de echte uitbeeldende eredienst af en werden zij afgodendienaars, want zij waren toen alleen maar in uitwendige dingen zonder enig inwendige. Met andere woorden, de handeling van het zich nederbuigen was slechts uitbeeldend en niet meer dan een gebaar. Hun zelfvernedering kwam niet uit het hart. Toch vernederden zij zichzelf, wierpen zij zich ter aarde, wentelden zij zich in het stof en riepen zij dagenlang luidkeels. We lezen dat ze welbekend waren met uitwendige dingen des geloofs dingen uit de Hemel , maar ze wisten heel weinig van de inwendige dingen van het geloof, omdat ze die niet konden verstaan. We begrijpen dat uit het feit dat er in het natuurlijk goede dat bij de mens is, onderricht kan zijn van de Engelen en zo verbinding met hen en de Hemel.

 

Hoe waren ze in staat God te kennen? Zoals we gezegd hebben, werden de mensen van de Oudste Kerk hemelse dingen geleerd door middel van rechtstreeks verkeer met God en met de Engelen. Later leerden de mensen de kennis over hemelse dingen door middel van overeenstemmingen en uitbeeldingen, zoals zij die van de Oude Kerk ervoeren. Op die wijze werden de mensen verlicht. Overeenstemmingen en Uitbeeldingen zijn de uitwendige vormen van Hemelse Dingen. Een dergelijke vergemeenschapping wordt tot stand gebracht als de mens in het goede der liefde en in naastenliefde is, zoals zij die van de Geestelijke Kerk waren. We hebben echter aangetoond dat die ten einde kwam toen zij deze kennis in toverij veranderden. Deze Kerk de IsraŽlitische en Joodse Kerk volgde na de eerdere Kerk. En in plaats van verlichting door de Heer oftewel invloed in hun innerlijk, spraken Engelen met hen. Zij deden dat hoofdzakelijk met bepaalde personen, zoals de profeten, door middel van een levende stem waarmee ze hun leerden, onder anderen aan Mozes. Met andere woorden, door middel van het geschreven Woord, dat hun ingegeven werd. Zij schreven dat Woord toe aan een God in een menselijke vorm. Zij die in het natuurlijk goede waren, namen de dingen die hun zo geleerd werden, eerbieding op.

 

Misschien heeft u gelezen of gehoord van de Gouden, de Zilveren en de Koperen Eeuw. Dat waren staten van de Kerk in het algemeen. De Gouden Eeuw was de tijd van de Oudste Kerk, de Zilveren Eeuw was de tijd van de Oude Kerk en de Koperen Eeuw was de tijd van de IsraŽlitische en Joodse Kerk. Hierin ziet u het hemels, geestelijk en natuurlijk goede van de mens. U kunt, meen ik, hieruit inzien dat de staat van de dag of van het licht, zoals ze was, eindigde toen de mensen van de Kerk niet langer onderricht wilden worden en de Geboden, het Woord, niet meer gehoorzaamden.

 

ť Keer terug naar het begin.

 

 

Deel 5

 

Net als mensen van de Oudste Kerk en die van de Oude Kerk keerden steeds meer mensen van deze Kerk zich van God af. Zij wendden zich naar de liefde van het zelf en de wereldse dingen. In het Woord wordt deze staat beschreven als de staat van de avond waarin de mensen zich van de ware uitbeeldende eredienst afwendden en in afgodendienst vervielen. Dit leidde vanzelfsprekend tot hun (geestelijke) verwoesting. Daarover wordt gesproken in Exodus 32: 7 waar staat dat het volk dat Mozes uit het land Egypte uitgeleid had, het verdorven had. Het bleef ernstig in gebreke ten aanzien van de eredienst aan Jehovah. Het keerde terug tot haar vroegere manier van aanbidding, zoals blijkt uit het gegoten kalf dat het gemaakt had. Met andere woorden, haar eredienst was in overeenstemming met haar begeerten en wat het liefhad. Aldus werd haar eredienst afgodisch en was ze niet langer een uitbeeldende eredienst.

 

We hebben gezegd dat de overeenstemmingen en de uitbeeldingen verloren gingen, maar desniettemin kreeg deze Kerk enige vorm van verbinding met God, zelfs ook toen ze de uitbeelding van een Kerk geworden was. Aldus kon zulk een Kerk bij het Joodse volk bestaan. Daarom werd het Woord geschreven. Ieder mens kan de letterlijke zin ervan aannemen als een Goddelijke Openbaring, of hij kan haar als zodanig verwerpen. Het is de inwendige eredienst, dat wil zeggen, de eredienst van de ziel, die werkelijk uitbeeldend is. De handelingen van het lichaam zijn slechts de uitbeelding van de uitwendige eredienst. Zoals we reeds gezegd hebben werd deze Kerk ten slotte de uitbeelding van een Kerk. Haar eredienst was louter uitwendig. Desondanks was God tegenwoordig bij haar door middel van de Boeken van het Oude Testament. En als haar leden oprecht waren en Zijn geboden naleefden, konden zij behouden worden.

 

We spreken over het begin van haar verwoesting. In Exodus 32: 17 lezen we: Er is een krijgsgeschrei in het leger. In dit hoofdstuk wordt de strijd beschreven van het boze en valse uit de hel tegen het goede en ware van de Hemel en de Kerk. De innerlijke staat van die Derde Kerk was toen tegenovergesteld aan het goede en ware. Zij verwierp zowel de ware Kerk als de Hemel. Dit wordt bevestigd door de mening van de SadduceŽn dat er geen leven na de dood was. Ook in deze Kerk had de liefde van het zelf de heerschappij gekregen, zoals het geval geweest was in de Oudste Kerk en in de Oude Kerk. Daardoor beheerste de liefde van het zelf (het eigene) en die van de wereld de mensen. Het middel was in dat geval hun aanbidding van rijkdom, van (aardse) schatten. Daardoor was het inwendige van de mensen gesloten. Het gevolg was dat de eredienst van hen  in afgodendienst was veranderd. Dit bleek uit hun aanbidding van het gouden kalf, hetgeen de hel uitbeeldde en niet de Hemel. Als ze het gekund hadden, zouden ze het Woord ontwijd hebben, dat wil zeggen, vervalst.

 

Hun inwendige was gesloten zoals ook het inwendige van de Oudste Kerk zich meer en meer sloot nadat deze Kerk zich van God afkeerde en dat van de Geestelijke Kerk. We moeten eraan denken dat als die inwendigen niet gesloten waren er geen verbinding van de Hemel met de mensheid geweest was en de mensheid derhalve niet verlost had kunnen worden. De mens kan bovendien de heilige dingen van de Kerk niet ontwijden als zijn inwendige gesloten is. Het weinige dat we hieruit gewaarworden kunnen wij gebruiken om enigszins te begrijpen waarom het inwendig ware heden ten dage niet bekend is bij de Joden en in de Christelijke Kerken die voortkwamen uit de Apostolische Kerk welke door de Heer Zelf opgericht werd. Daardoor verstaan de mensen heel weinig aangaande de Hemel en het leven na de dood, behoudens zij die de leer der Nieuwe Kerk met hart en ziel omhelzen en er derhalve naar leven.

 

Hopelijk kunt u inzien dat als een Kerk, dus mensen van die Kerk, in een zodanige staat van verwoesting is oftewel in de tijd van de avond, er mettertijd de nacht op volgt die de tijd is van de voleinding of het einde. Want zulke mensen, die in louter natuurlijke goedheden en waarheden zijn, keren zich geheel af van wat Goddelijk is en van de doeleinden van de ware eredienst, omdat zij in de liefde van het zelf zijn. In die staat kan de mens niet met de Heer verbonden zijn, aangezien hij niet in Zijn goede en ware is. We weten dat de voleinding van de IsraŽlitische en Joodse Kerk plaatsvond toen de Heer in de wereld kwam. Want die Kerk verwierp Hem toen de Heer vestigde een nieuwe Kerk, de Christelijke Kerk.

 

In het Hebreeuwse Woord, de Boeken van de IsraŽlitische en Joodse kerk, werd geopenbaard dat de Heer op aarde zou komen. Dat staat in het Boek DaniŽl, hoofdstuk 24 vers 34. Daar wordt het einde van de Kerk der IsraŽlieten voorzegd. De oorzaak ervan zou zijn dat hun eredienst niet langer de Heer en de Hemel uitbeeldde, zodat er geen verbinding van hen met de Heer en de Hemel was. We lezen in Exodus 32: 30 dat Mozes tegen het Joodse volk heeft gezegd: Gijlieden hebt een grote zonde gezondigd. Die grote zonde was een zich afkeren van God en derhalve een volledige vervreemding van Hem en ten slotte herinner ik u eraan dat de profeet Jesaja van deze Kerk zei: Horende hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet (6: 9). Wij weten nu waarom de Heer tegen de IsraŽlieten en de Joden zei dat zij ziende niet zagen, en horende niet hoorden noch ook verstonden, opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen en met het hart verstaan en zich bekeren en Hij hen zou genezen (zie MattheŁs 13: 13 en 15). Want zij waren in het valse inzicht en de valse wijsheid (Hemel en Hel 353) en zouden in die staat, als ze de innerlijke goedheden en waarheden hadden gezien en verstaan, het Woord, de Kerk en de Eredienst ontwijd hebben.

 

De IsraŽlitische en Joodse Kerk was een uitwendige Kerk zonder inwendige. Aangezien de mensen van die Kerk niet boven dat uitwendige verheven konden worden, was die Kerk slechts het uitbeeldende van een Kerk. Ik maak u er opmerkzaam op dat ons dit medegedeeld wordt voor hun binnengaan in het land Kanašn beschreven wordt. Kanašn betekent vanzelfsprekend de Kerk, want daar bevond zich de Oude Kerk. Nogmaals, zij beeldden de Kerk uit, aangezien het geestelijk natuurlijke en het geestelijke bij hen gesloten waren. Ik wijs u er hier op dat de ware Kerk bij de mens in zijn geestelijke of inwendige is. En dat de boosheden en valsheden in het natuurlijk gemoed van de mens als het ware door de mens zelf moeten worden verwijderd voor de Heer in de mens kan komen wonen in zijn nieuwe wil en verstand.

 

Ik eindig met op te merken dat hier sprake is van de echte Kerk in de mens en van de ontwikkeling ervan in hem. In ieder mens is het hemelse en het geestelijke. Die graden zijn bij de meeste mensen min of meer gesloten. En er is de louter natuurlijke graad, waarin niets dan boosheden en valsheden zijn totdat de Heer in een nieuw natuurlijke, een geestelijk natuurlijke, bij hem komt. Wij keren ons allen van God af, omdat we niet langer in de staat van onschuld zijn en niet bereid zijn om zelfs door het Woord geleid te worden. De geschiedenis van de IsraŽlitische en Joodse Kerk beschrijft een volk dat steeds weer Jehovah verloochende vanwege haar liefde voor het zelf en de wereldse dingen. Iedere man en vrouw is van zichzelf heden ten dage in die liefden. Wij zijn inwendig gezien net als de Joden en IsraŽlieten. Ook in ons gemoed moeten wij als uit onszelf de boosheden en valsheden die ons getoond worden, verwijderen, zodat die staat een einde neemt en de Heer in een nieuw hart en een nieuw gemoed bij ons kan komen.

 

HET EINDE.

 

ť Keer terug naar het begin.