Lezing over de Stichting van de Kerk
bij de Mens of de Inwendige Tegenwoordigheid van de Heer, bekend als de Oudste
Kerk
door Ds.
Deel 1
Als men heden het verhaal uit Genesis over Adam en
zijn vrouw Eva en alle andere personen daar leest, in het kort de vier eerste
Boeken van Genesis, realiseert men zich niet dat dat verhaal in werkelijkheid
gaat over de stichting van de Oudste Kerk op aarde. De mensheid kon genieten
van het leven, zoals de Heer wil dat wij ervan genieten. Met de Hof van Eden
werd de wijsheid en het inzicht van de mens van de Oudste Kerk bedoeld en met
het eten van de Boom der Kennis van het goede en het boze wordt het einde van
die Kerk bedoeld. U zult zien dat het de eigendunk van hun eigen inzicht was
die de oorzaak was van hun val.
Laten we dus beginnen met enige premissen te
stellen die we moeten aannemen als we geloven dat het Woord het Ware is dat bedoeld
is om ons naar een toekomstig leven in de Hemel te leiden. In de eerste plaats
dat de Heer (God) het Goede Zelf en het Ware Zelf is, dat wil zeggen, dat Hij
de Liefde en de Wijsheid is. Geen enkele hoedanigheid van de Heer is geschapen
of gemaakt, dus ook niet de twee hoedanigheden dat er slechts éen God is en dat
Hij Goed en Waar is. Wat schenken deze hoedanigheden buiten Zichzelf aan de
Mensheid? Het leven. Maar het leven is uit de Heer, net zoals de hoedanigheden
liefde en wijsheid uit Hem zijn. Binnenin de Mensheid zijn het goede en het
ware, dat uit de Heer is. Wij zijn de vaten die deze hoedanigheden opnemen, en,
als zodanig, nemen wij het leven op uit de Heer. Kortweg, God kan niet nog een
God scheppen; de hoedanigheid van liefde en wijsheid het Goddelijk Esse en
Existere (Zijn en Bestaan) kan niet verdeeld worden. Het wezen van de liefde is
anderen buiten zichzelf lief te hebben. Hieruit kunnen wij inzien dat de liefde
en de wijsheid uit de Heer voortvloeien of voortgaan. Deze vormen een natuurlijke
manifestatie van al het leven, zoals de plantengroei (grassen, bomen, hun
vruchten), de dieren (de dieren des velds, de wilde dieren, de vogelen des
Hemels) en de mens zelf, die de hoogste perfectie van het leven is, zowel ten
aanzien van zijn uitwendige als van zijn inwendige, zijn natuurlijke als zijn
geestelijke. Aldus werden zowel de fysieke of natuurlijke Hemel en aarde als de
geestelijke of inwendige wereld geschapen.
Maar wat in de inwendige zin werkelijk bedoeld
wordt is de vorming van de Kerk bij de mens. Alleen de Heer is Mens. Wij zijn
'een soort mens' en dat dan nog alleen als die hoedanigheden het goede en het
ware uit de Heer in ons zijn en op gunstige wijze op ons inwerken. We zijn,
nogmaals, vaten voor het leven des Heren, voor het hemelse, geestelijke en
natuurlijke leven. Wat wij in het eerste hoofdstuk van Genesis kunnen zien, is
een proces van de formering van de mens naar het beeld en de gelijkenis van de
Heer. Nadat hij/zij naar dat beeld en naar die gelijkenis is geformeerd, heet
hij/zij mens.
In het eerste Hoofdstuk van Genesis wordt
gehandeld over de wederverwekking van een mens. Voor de stichting van de Oudste
Kerk bij de mensheid, waren de dingen die eigen waren aan 'de mens', niet de
dingen des Heren. De mens was als een 'woest en ledig' vat. De mens was in
duisternis, en zonder de goedheden en waarheden van de Heer. Hij was in feite
verstoken van alle inzicht en onwetend van de dingen des Heren, dus van alles
wat hemels en geestelijk is. Toch was er in de mens voor de stichting van de
Oudste Kerk, hoewel afgezonderd, iets wat in hem werkte om hem weder te
verwekken, iets wat hem vormde en tot een hemels mens maakte terwijl hij nog op
de aarde was. Om dit te verduidelijken moeten we weten dat wat hier bedoeld
wordt, is dat de mens een hemels leven zou ontvangen. Dat is waarop Christenen
heden ten dage zinspelen als zij spreken over 'wedergeboren worden'. De woorden
In den beginne schiep God de hemel en de aarde (Genesis 1: 1) hebben een
inwendige betekenis. We kunnen zeggen dat de 'Hemel' die geschapen werd, het
inwendige van de mens is en de 'aarde' zijn uitwendige, het geestelijke en
natuurlijke van de mens. We hoorden dat het uitwendige van de mens 'woest en
ledig' bevonden werd, net zoals de grond woest en ledig is als er geen zaad in
gezaaid is. Het zaad dat in een mens gezaaid moet worden, is het goede en het
ware des Heren. U kunt inzien waarom een mens in dit stadium ten aanzien van
geestelijke dingen geheel en al stompzinnig is en volkomen onwetend van de
dingen des geloofs in de Heer of enig leven uit de Heer, zoals de gehele
natuur, de dieren en de planten. Het is de Geest Gods die op de wateren zweeft,
hetgeen het voortgaand goede en ware in de mens betekent. Dit wordt duidelijk
als we lezen dat het Woord dikwijls de term 'water of wateren' gebruikt in de
betekenis van het ware, en dat met (de oppervlakte van) de afgrond (Engels: the
face of the deep) de hoedanigheden van de Heer aangeduid worden, het goede en
het ware, barmhartigheid en genade. Hieruit zien we dat deze hoedanigheden, die
in de mensheid invloeien en een mens kunnen bewegen (ontroeren), zodat hij tot
een vat ervoor wordt, hem, als hij ze opneemt, tot een beeld en gelijkenis des
Heren maken. De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op de
afgrond; en de Geest Gods zweefde op de wateren (Genesis 1: 2).
Uit wat er tot dusverre is uitgelegd zien we dat
het eerste om het Woord te verstaan is dat er een overeenstemming is tussen de
dingen van de Hemel en de dingen van de wereld oftewel tussen inwendige en
uitwendige dingen, tussen geestelijke en natuurlijke dingen. En het eerste dat
het Woord ons leert is dat de Heer door middel van Zijn Geest in de mens wil
werken met die goddelijke hoedanigheden van het goede en ware, opdat Hij hem
tot een opnemend vat kan maken, waardoor hij tot Zijn beeld en gelijkenis wordt
geformeerd. Dat zijn de dingen die eigen zijn aan de Heer en die bij de mens
van de Heer zijn. Deze moeten onderscheiden worden van de dingen die eigen zijn
aan de mens, de dingen van het lichaam en van de wereld, welke dingen tot het
uitwendige van de mens behoren. Welke zijn die dingen van de Heer in de mens?
Het Woord noemt ze 'overblijfselen', die de 'erkentenissen' of de kennis van
een innerlijker soort zijn bij een mens, niet wetenschappelijke kennis, maar
kennis betreffende het geloof - het zijn dingen die hij geleerd en in zijn
innerlijk bewaard heeft. Overblijfselen zijn de goedheden en de waarheden des
Heren in een mens. Ze zijn van de Heer, maar de mens kan ze benutten als hij de
tweede staat van zijn wederverwekking heeft bereikt. De dingen des Heren heten
in het Woord 'overblijfselen'. In de inwendige mens zijn de overblijfselen,
die door de Heer bewaard worden tot deze tijd en om deze reden, welke is als de
dingen die het eigene van de mens uitmaken, tot rust komen en als het ware
sterven (zie Hemelse Verborgenheden 8).
Laten wij, voor ik u ga uitleggen wat de Oudste
Kerk is, beginnen met te horen hoe de Heer de mens formeerde en toen hij
geformeerd was te zien dat de Kerk binnenin hem was. Dit wordt niet onthuld
door de letterlijke tekst van het scheppingsverhaal; deze vertelt niet hoe de
Heer zijn Kerk bij de mens vestigde. Zoals we reeds zeiden, betekent de Hemel
het inwendige en de aarde het uitwendige van de mens en hieruit verstaan we dat
de mens geschapen werd met zowel een inwendige als een uitwendige. De zes
scheppingsdagen, waarover in het eerste hoofdstuk van Genesis gehandeld wordt,
beschrijven in werkelijkheid de vernieuwing of restauratie van een mens, zijn
wederverwekking.
Wat is eigen aan de mens en wat is eigen aan God?
Aangezien met de aarde het uitwendige van de mens bedoeld wordt, kunnen we
begrijpen dat wat eigen is aan de mens bedoeld wordt met de woorden woest en
ledig, en duisternis was op de aangezichten des afgronds (Genesis 1: 2). Al
die dingen die de mens door de Heer heimelijk ingegeven worden, moet hij leren
kennen en erkennen. Vanaf het eerste begin van dit proces wordt ons geleerd dat
de Geest Gods erin werkte, zoals het ook heden ten dage het geval is bij allen
die op aarde geboren worden. Het doel oftewel het nut van goedheden en
waarheden is dat een mens tot een beeld en gelijkenis van de Heer wordt
gemaakt. Waarover we hier spreken is de aangezichten van de wateren of de
afgrond. In de natuurlijke zin schijnt het dat God dingen schiep, zoals het
licht, het droge land of de droge grond, de vogelen des hemels en iedere
levende ziel die kruipt, en zelfs de wilde dieren. En in de natuurlijke zin
maakte Hij de mens, hoewel hij pas 'mens' genoemd werd toen hij naar het beeld
en naar de gelijkenis van de Heer was gemaakt. In zichzelf waren het slechts
die dingen, de goedheden en waarheden, al het goede der liefde en alle
waarheden des geloofs, waarvan zij een perceptie hadden dat ze uit de Heer
waren, welke 'mens' genoemd werden. Deze worden alle in de zes scheppingsdagen
genoemd. We hebben al gezegd dat dit in werkelijkheid de wederverwekking van de
mens betekende. In de inwendige zin betekenen ze dus iets heel anders. Om een
voorbeeld te geven: Het kruipende gedierte dat de wateren voortbrachten betekenen
de natuurlijke kennis die tot de wereld en de uitwendige mens behoort. De
vogels zijn in het algemeen de redelijke en verstandelijke dingen die van de
inwendige mens moeten worden. Het zijn hoedanigheden van de Heer. Al die dingen
behoren tot het verstand van de mens. De dieren des velds en de wilde dieren
zijn de dingen die van de wil zijn en zijn de aandoeningen. De wilde dieren
beelden de aard van de zinnen van de natuurlijke mens uit.
Deze lezing handelt niet alleen over de Oudste
Kerk als zodanig, maar ook over elk afzonderlijk mens in die Kerk en dus over
de Kerk binnenin ieder persoonlijk. We hebben het erover gehad dat de Heer in
feite de enig ware Mens is. Aangezien dit zo is, verschijnt Hij noodzakelijkerwijs
aan de mens als Mens. Het geloof dat we ons als uit onszelf moeten eigen maken,
is niet het geloof in een onzichtbare God. De Heer sprak van mond tot mond met
hen die van de Oudste Kerk waren. Zij erkenden geen ander geloof dan de liefde
zelf tot de Heer. Zij waren Hemelse mensen en een Hemelse Kerk, en derhalve
waren zij inwendige mannen en vrouwen. Zij zagen weliswaar de uitwendige dingen
met hun fysieke ogen, net als wij, maar ze dachten dan alleen maar aan de
dingen die ze uitbeeldden. Het voorwerp zelf was niets voor hen, behalve dat
het hen in staat stelde na te denken over inwendige dingen, over Hemelse dingen
en over de Heer. U kunt daaruit inzien dat zij zich uitdrukten in aardse en
wereldse begrippen en dat die uitbeeldingen waren van de geestelijke en hemelse
dingen waaraan ze dachten. Daarom schreef Mozes in het Boek Genesis tot aan
Abram geen historische verhalen, want de natuurlijke dingen beeldden goede en
ware dingen uit, oftewel de liefde en wijsheid van de Heer. In de belangrijkste
periode van de Oudste Kerk brachten de natuurlijke dingen de mensen in
verrukking, omdat ze hun gemoederen openden voor de Heer.
In staat te zijn te verstaan of perceptie te
hebben van wat er op geestelijke wijze bedoeld wordt, als men natuurlijke
dingen ziet, wordt in het Woord 'perceptie' genoemd. Het was een inwendig
zintuig dat de mannen en vrouwen van de Oudste Kerk uit de Heer hadden en dat
maakte dat ze wisten of iets al of niet goed en waar was. Er wordt gezegd dat
die perceptie hen gelukkig maakte. Door die perceptie werden ze gemaakt en 'als
het ware' vervolmaakt tot een beeld en gelijkenis van de Heer. Hun geloof
ontstond door de kennis die ze verkregen door middel van openbaringen; want,
zoals ons verteld wordt, zij konden met de Heer en de engelen spreken, dat wil
zeggen, hun denkvoorstellingen waren uit het Goddelijke en hemels. Ze werden
ook onderricht door middel van dromen en visioenen, en wanneer ze aan dingen
dachten die ze in hun geheugen bewaarden, was er perceptie uit de Heer en
wisten ze of iets levend en goed was. Op deze wijze werden de dingen in hun
gemoederen door de liefde van de Heer levend gemaakt. Want hun verstand was
inwendig éen met hun wil. Hun gemoed was een eenheid, aangezien de wil en dus
de liefde alles was, zodat hun geloof uit de liefde tot de Heer en jegens de
naaste was, dat wil zeggen, jegens de Heer in anderen, zowel individueel als
gezamenlijk.
Uit een louter natuurlijk zintuig hadden Hemelse
mannen en vrouwen een inwendige ademhaling; hun uitwendige ademhaling was
stilzwijgend, dat wil zeggen, dat hun spraak zonder geluid was. Ze kwam van
binnenuit als een soort woordeloze spraak, want ze spraken zelden door middel
van woorden. Ze spraken door middel van denkvoorstellingen. Zo konden ze zich
uitdrukken door hun gelaatsuitdrukking te veranderen, vooral door middel van
hun lippen. Er is ons ook geleerd dat ze een inwendige vergemeenschapping
hadden met de Hemel en door middel van de Hemel met de Heer. Hun leven was
daarom uit de Heer naar de Heer toe binnenin hen.
Wat was de aard van de afzonderlijke mens van de
Oudste Kerk? Het waren hemelse mannen en vrouwen, dat wil zeggen, dat ze in een
hemelse en geestelijke staat leefden. Maar ze hadden wel een natuurlijke of een
lichaam, zoals de gehele mensheid heeft. Ze wisten wat het ware uit het goede
of de liefde was en hadden zo geloof. Als u hierover nadenkt, kunt u inzien dat
het bij ons heden ten dage het tegendeel schijnt te zijn. Wij geloven en hebben
wat we geloven lief. Maar toch is het de liefde van de Heer die maakt dat wij
geloven. In die zin waren zij van een andere genius. Hun eredienst (verering
van God) was inwendig; ze werd vergemeenschapt door de perceptie uit de Heer
door middel van de Hemel. Wat zij dus zagen was Hemels en levend.
Zij wilden slechts uit de Heer willen en denken en
niet, zoals wij heden ten dage doen, uit zichzelf. Zij hadden er een perceptie
van dat ieder ding en alle dingen die zij wilden en dachten uit de Heer waren
of uit andere bronnen, zoals de Engelen, uit het goede, en later, in hun
nedergang zelfs uit boze geesten. Hun leer was in hun binnenste gegraveerd
oftewel in hun hart als de liefde tot de Heer en de naastenliefde jegens de
naaste. Zij koesterden die leer. Houd dat in uw gedachten en vergelijk het met
de manier waarop wij nu leer moeten maken of die verdiepen. De mens van de
Oudste Kerk had slechts éen vrouw en de vrouw had slechts éen man, en ze
leefden in waarlijk echtelijke liefde.
Wij spreken hier over de mens van de Oudste Kerk
die werkelijk en blijvend lid was van die Kerk. Maar geleidelijk aan begonnen
boosheden en valsheden bezit te nemen van sommige mensen, die de goedheden en
waarheden des Heren in boosheden en valsheden veranderden. Zo ontstonden er naast
hemelse mensen, die Engelen werden, mensen, die boze geesten werden.
Het Woord bij hen was niet geschreven, maar in hun
harten en gemoederen gegraveerd. Het werd later aan hun nageslacht geopenbaard
en in de stijl van de vier eerste hoofdstukken van Genesis geschreven. En,
zoals gezegd, zij konden aardse of wereldse dingen met hun natuurlijke ogen
zien en op basis van die zintuiglijke waarneming dachten ze aan hemelse en
geestelijke dingen. De Heer kon invloeien door hun willijke of wil heen. Dit was,
zoals we weten, door een inwendige weg, terwijl ze bij de mensen van de Oude
Kerk, die op de Oudste Kerk volgde, invloeide en bij de leden van de Ware Kerk,
welke er nu is, door een uitwendige weg invloeit, namelijk door het intellect
of verstand en niet door de wil. Er moest een nieuwe weg komen, een nieuwe wil
in de mens gevormd worden nadat de mensen van de Oudste Kerk uit hun inwendige,
Hemelse staat gevallen waren. De mensen van de Oudste Kerk erkenden geen andere
God dan de Heer in Zijn Goddelijk Menselijke. Zij wisten weliswaar van het
Goddelijke Zelf dat in de Heer is en dat de Heer Zijn Vader noemde, maar zij
dachten daarbij aan het Goddelijk Menselijke.
Zoals we zeiden, waren de mensen van de Oudste
Kerk van een hemelse genius of aanleg. Zij spraken met Engelen door middel van
overeenstemmingen. De dingen die ze op aarde zagen, deden hen denken aan
geestelijke dingen en zo hadden zij verbinding met de Engelen.
We zien dat er een proces was, een orde, waarin de
mens van de Oudste Kerk gevormd werd. Hij moest eerst geformeerd worden en dan
zijn staat der wederverwekking binnengaan. Zo werd hij tot een beeld en
gelijkenis van de Heer gemaakt. Daarna was er verbinding van de Heer met de
mens van de Oudste Kerk en omgekeerd. En God zeide: Laat Ons mensen maken,
naar ons beeld, naar onze gelijkenis &…; En God schiep de mens naar Zijn
beeld; naar het beeld Gods schiep Hij hem (Genesis 1: 26, 27). Pas
toen de mens in de staat der wederverwekking kwam, werd hij/zij 'mens' genoemd.
Het scheppingswerk van de Heer was voltooid, wat blijkt uit de vaststelling dat
de Hemel en de aarde zijn (waren) volbracht, en al hun heir (Genesis 2:
1). Het inwendige en het uitwendige van de mens waren nu volledig en binnenin
waren de liefde, het geloof en de erkentenissen uit de Heer. Wat hieronder
verstaan wordt is dat de Kerk binnenin de mens was, want deze dingen de Hemel
en de aarde, worden gezegd van het inwendige en uitwendige van de mens. De mens
is een Tempel van de Heer, net als de Hemel en de Kerk een Tempel van Hem zijn.
Dat de mens tot een Hemel en een aarde gemaakt werd, was het resultaat van zijn
wederverwekking van zes dagen. Na die wederverwekking rustte de Heer op de
zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had (Genesis 2: 2). De Oudste
Kerk was daarmede gesticht.
De individuele mens komt pas in de staat dat
hij/zij in geestelijke en hemelse staten leeft, dat wil zeggen in staten waarin
alle dingen van de hoedanigheid van de Heer zijn, als de dingen die aan de mens
eigen zijn, de dingen waarin niets is van het goede en ware, die, zoals we
geleerd hebben, een staat is van 'woestheid en ledigheid' en van 'duisternis op
de afgrond', dat wil zeggen, van boosheden, ten einde gebracht zijn. Dit is de
staat der verwoesting. Hiervoor is nodig dat de mens verzoekingen ondergaat,
geestelijke verzoekingen. Voor de mens in de hemelse staat kan komen, moet het
goede en ware des Heren in hem gaan regeren. In de geestelijke staat is er
strijd, dus verzoeking, tussen het geestelijk leven en het natuurlijk leven in
hem. Het inwendige van die mens strijdt dan als het ware met zijn uitwendige,
omdat dan wat eigen is aan de mens wil heersen over wat eigen is aan de Heer.
De stichting van de Oudste Kerk was voltooid toen de strijd geëindigd was en de
Heer van al Zijn werk rustte. U moet begrijpen dat het de Heer was die in de
mens gewerkt had en toen de mens naar Zijn gelijkenis was gemaakt, rustte de
Heer en was de hemelse Kerk geformeerd. Dat betekent niet dat de Heer ophield
te werken, zoals wij na gedane arbeid doen. Maar het betekent dat de hemelse
mens in een staat van vrede was gekomen. De manier waarop het in Genesis
hoofdstuk 2 afgeschilderd wordt, is dat toen de individuele mens genoot van
alle verrukkingen, alle dingen van het goede die hij door middel van perceptie
opnam. We zullen later over perceptie spreken. Het eerste dat we zien bij het
lezen van hoofdstuk 2 van Genesis, is dat de mens van de Oudste Kerk in een hof
of tuin werd gesteld. In het Derde Testament wordt die mens zelf een hof
genoemd. Hij was als het ware in een tuin die hemels en geestelijk en zowel
binnenin hem als om hem heen was. De dingen in die tuin betekenden zijn inzicht
en dit maakte hem tot een mens. Het onderscheidde hem van de dieren. Het was de
liefde die maakte dat hij inzichtsvol was, want zodanig is de orde van het
gehele leven in of van de hemelse mens.
Van dood werd de mens geestelijk en van geestelijk
hemels. Toen werd van hem gezegd dat hij 'inzichtsvol' was. Zoals we gezegd
hebben, was dat inzicht die tuin met geboomte dat begeerlijk was voor het
gezicht en goed ter spijze, hetgeen zijn perceptie van het goede betekent.
Al die dingen zijn van de inwendige mens, dat wil zeggen, van de hemelse mens,
die als een tuin was.
Deel 3
De hemelse mens was in staat onderscheid te maken
tussen het goede en het boze en kon nadenken over geestelijke dingen en
redeneren uit zijn 'overblijfselen'.
Een mens komt tot verschillende staten, zoals de
staat der onschuld in de kinderjaren, de staten van liefde voor zijn ouders,
broers en zusters, en vrienden, een staat van liefde jegens de naaste en van
medelijden met de armen en nooddruftigen. Al die tijd verzamelt de Heer
overblijfselen in zijn binnenste, waarop de Heer later een beroep kan doen en
die Hij dan kan benutten. Al die onderscheiden staten van het goede en ware
worden in het geheugen van de mens geprent, daar bewaard en in het andere leven
weer in zijn bewustzijn gebracht. In de hemelse mens werden ze in hun leven
hier op aarde tot zijn bewustzijn gebracht.
We zeggen heden ten dage dat een mens een geweten
heeft en dat het dat geweten is dat hem ertoe brengt een goed leven te leiden.
Maar de hemelse mens had, zoals we reeds zeiden, perceptie, wat meer is dan een
geweten hebben. Perceptie en een geweten zijn beide uit de Heer in de mens, ze
zijn een zeker gevoel dat iets waar is. Perceptie is uit de Heer binnenin de
mens, terwijl een geweten uit de Heer is in het uitwendige van de mens. U kunt
hieruit inzien dat zij zeer verschillend zijn. Een hemels mens had de perceptie
of iets waar en goed was. Zijn geloof berustte op liefde, terwijl een
geestelijk mens een geweten heeft, dat uit zijn religie tot zijn geloof
behoort. Met andere woorden, de geestelijke mens is begiftigd met een geweten van
wat goed en juist is, als het ware door middel van zijn geloof dat berust op
zijn verstaan van de Heer, terwijl het geloof van de hemelse mens berust op
zijn wil die uit de Heer is.
Bij de hemelse mens staat de wil centraal; ze is
primair en van zijn liefde tot de Heer. Zijn wil is zijn geloof. Daaruit zien
we dat zijn geloof op de tweede plaats komt, aangezien het voortkomt uit het
goede of de liefde die hij heeft tot de Heer en jegens de naaste. Daarom
spreekt het Woord zo vaak van het 'hart', als het over de liefde van een mens
handelt. Bij de mens van de Oudste Kerk, wordt ons geleerd, betekent het hart
de liefde tot de Heer, want de Heer bezit het, aangezien het de ziel van de
mens is. Op die wijze was het hem toegestaan te genieten van alle dingen des
Heren en daarom stelde de Heer hem in een tuin, die de Hof van Eden werd
genoemd. In die tuin waren alle dingen van het goede en ware,
wetenschappelijkheden en erkentenissen. Maar er wordt ons ook geleerd dat het
hem niet toegestaan was ze als zijn eigendom te beschouwen. En de Heer God
gebood de mens, zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten;
maar van de boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet
eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven (Genesis
2: 16, 17). Een hemels mens wist uit perceptie wat goed en waar was, maar hij
mocht dat niet weten uit zijn eigene, dat wil zeggen, hij mocht ze niet als het
zijne beschouwen. Hoe moeten we dat verstaan? We hebben eerder gezegd dat God
Goed en Waar is; Hij kan het Goede en Ware niet verdelen, want Hij kan Zichzelf
niet verdelen. Maar Hij kan wel Zijn goede en ware, als het ware, met ons
delen, zodat ze ons van nut zijn. Het geloof van de hemelse mens was niet
afgeleid van de dingen die hij wist uit zijn zintuiglijke en lichamelijke, de
dingen die tot zijn natuurlijke behoorden.
Wat we tot nog toe geleerd hebben ten aanzien van
de Oudste Kerk is dat de mens geschapen werd om met de Heer verbonden te worden
en naar Zijn beeld en gelijkenis te worden geformeerd of gemaakt, dat hij van
Gods schepping mocht genieten. Hij leefde in een gezegende staat. We kunnen
inzien dat er verbinding met de Heer was door middel van zijn hart en gemoed,
door middel van de wil en het verstand. Dit vormt de Kerk. U kunt inzien dat
die verbinding een inwendige was; het was een geestelijke en hemelse
verbinding. Het uitwendige of natuurlijke van hem was slechts een bedekking van
zijn inwendige of geestelijke. De verbinding was derhalve geen natuurlijke of
uitwendige. Vraag uzelf af hoe u met de Heer verbonden bent. Is dat niet door
middel van uw wil en verstand? De hemelse mens van de Oudste Kerk leefde niet
in zijn natuurlijke. Zijn leven was hemels en inwendig, niet, zoals bij ons
heden ten dage, uitwendig.
Bij God is er orde in alles wat Hij doet en in
alles wat uit Hem voortgaat. Het is dus niet meer dan logisch dat de eerste
Kerk, de Oudste Kerk, een hemelse Kerk was, want het hemelse is het eerste dat
uit de Heer voortgaat. Aldus is de liefde van de Heer en Zijn wezen of het
Goede, alsmede Zijn wijsheid, dat wil zeggen, Zijn Ware, de echte Kerk in de
mens en Zijn Voortgaande Liefde en Wijsheid, zoals de Geest Gods die in de
aanvang binnenin de mens zweefde. We zien hierin de werking van de liefde van
de Heer, de Enig Geborene, die Zich later manifesteerde als de Heer Jezus
Christus. Een van de eerste manieren waarop we deze liefde tot uitdrukking
gebracht zien in de Oudste Kerk is in het huwelijk van een man met zijn
echtgenote en van die echtgenote met haar echtgenoot. Dit is vanzelfsprekend de
verbinding van het goede en het ware. Wij kunnen inzien dat de mens of Adam en
zijn echtgenote Eva die verbinding vormden. Zo beeldden Adam en Eva de Oudste
Kerk uit. Wat beschrijft de man het beste? Het is zijn inzicht en zijn wijsheid,
want dat maakt een man tot man. We weten dat een vrouw ook inzicht en wijsheid
heeft, maar deze komen tot uitdrukking, manifesteren zich, door middel van haar
aandoeningen oftewel liefde, terwijl ze bij de man deel uitmaken van zijn
liefde om wijs te zijn. U kunt dus inzien dat de mens hier betrekking heeft op
de mensheid. Op deze wijze betekent 'man' Wijsheid en 'vrouw' Liefde. En als ze
met elkaar verbonden zijn door het echte huwelijk ontstaat er als het ware
leven. De mensen van de Oudste Kerk waren in de echtelijke liefde. Het goede en
ware des Heren waren zo in het verstand en de wil van de mens met elkaar
verbonden en vormden op die wijze in hem/haar de Kerk. Daarom is er ook slechts
éen echtgenote voor éen echtgenoot. Daarom zal de mens vader en moeder verlaten
en zijn vrouw aanhangen. Als dit niet zo was, zou de begeerte van de man naar
zichzelf uitgaan, dat wil zeggen, naar zijn eigen inzicht. Dan was hij niet
hemels en dat maakte dat hij naar 'eigen believen' handelde. Maar het Woord
leert ons dat de hemelse mens vreugde beleefde aan de liefde des Heren, want
die was het voornaamste voor hem/haar. Zo waren de huwelijken van de Oudste
Kerk een bron van verrukking voor hen die tot die Kerk behoorden.
Bij de hemelse mens stond de wil centraal; hij
kwam op de eerste plaats en was gericht op de liefde van de hemelse mens tot de
Heer. Die wil vormde zijn geloof en was er éen mee. Bij hem kwamen de liefde en
de naastenliefde op de eerste plaats. We lezen niets over zijn geloof in het
verhaal in Genesis. We moeten begrijpen dat als er over zijn hart of wil
gesproken wordt, dat zijn liefde betreft en dus de dingen van de Heer bij hem
zijn. We moeten dan ook verstaan dat het hart in de mens aan de Heer
toebehoort. U kunt daaruit inzien dat het uitwendige van de hemelse mens was te
willen en zich over te geven aan zijn inwendige, dat te dienen. Zijn leven was
een leven van liefde en daaruit van geloof, en niet alleen van geloof, zoals
heden ten dage bij zeer vele mensen.
De hemelse mens werd weliswaar als het ware in een
hof of tuin gesteld, dat wil zeggen in een staat dat er geen strijd was tussen
zijn geestelijk leven en zijn natuurlijk leven, maar hij moest die hof
niettemin ook bebouwen en bewaren. Dat wil zeggen dat hij van al het goede en
ware des Heren mocht genieten, maar ze niet in bezit mocht nemen. Want door
middel van de liefde had de hemelse mens inzicht en door middel van het geloof
van zijn liefde vloeiden de verstandelijke dingen, de redelijke en
wetenschappelijke dingen, bij hem in. Er was dan ook geen strijd tussen zijn
inwendige en zijn uitwendige. Om ons te helpen iets te begrijpen van wie de
hemelse mens was, en dus wie de Heer is, zien wij naar de overeenstemmingen die
we in het geschreven Woord kunnen lezen. In elke tuin die begeerlijk is voor
het oog, groeien bomen waarvan de vruchten tot voedsel dienen en die bomen zijn
ook aangenaam om te zien. En de Heer God had alle geboomte uit het aardrijk
doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht, en goed tot spijze (Genesis 2:
9). Aangezien deze hof in Eden een hemelse tuin was, werden onder 'de spijze'
de hemelse vruchten of het goede verstaan. We kunnen inzien dat onder bomen
percepties worden verstaan, zoals blijkt uit de rest van dit vers: en de
boom des levens in het midden van de hof, en de boom der kennis des goeds en
des kwaads (2: 9). Hier leert het Woord ons dat de hemelse mens perceptie
had, hetgeen een inwendig verstaan of inwendige kennis uit de Heer was. Aldus
betekenden bomen 'percepties van het goede die de hemelse mens had, want onder
de 'boom des levens' werd de perceptie van de liefde en het geloof verstaan,
want de mens leefde door de liefde tot en het geloof in de Heer oftewel door
het goede en ware. We kunnen immers zeggen dat het de Heer Zelf is die in de
mens leeft. Dit is de eerste goddelijke liefde die we moeten (h)erkennen als de
Heer. Het is Zijn goede en ware die wij als het ware mogen benutten en waaruit
wij leven. Het leven is uit de Heer en die liefde en dat geloof uit de Heer in
de wil van de mens is de 'boom der levens' in het midden van de hof. Dit
herinnert ons aan de 'overblijfselen' die bewaard blijven als de barmhartigheid
van de Heer die op de wateren zweeft, als de goedheden en waarheden die de mens
mag eten oftewel zich toe-eigenen van de boom der levens. We lezen dat een
rivier de hof bewaterde. We weten nu dat die rivier de hemelse mens uitbeeldt
en dat ze verdeeld was in vier takken die de gehele wereld, dat wil zeggen, de
gehele mensheid, van water voorzag. Hier kunt u inzien waarom de Heer de Kerk
stichtte in de mens op aarde en waarom de Kerk binnenin de mens is en dat
zonder een Kerk op aarde de mensheid zou vergaan. De rivier betekent de
Goddelijke Wijsheid van de Heer uit Zijn Goddelijke Liefde. Met Eden wordt die
liefde uit de Heer bedoeld, welke in het Woord dikwijls het 'Oosten' wordt
genoemd. Zo werd de hemelse mens inzicht gegeven.
De mens van de Oudste Kerk had de perceptie dat
alle dingen van de Heer waren en hij wist dat ze niet van Hem gescheiden konden
worden. Ik kan daaraan toevoegen dat dit heden ten dage niet zo is, zelfs niet
bij de geestelijke mens. De geestelijke mens kan nu weten en erkennen dat alle
dingen van de Heer zijn, maar hij weet dit, omdat hij het uit het Woord geleerd
heeft. Die wetenschap is tot hem gekomen langs een uitwendige weg, niet langs
een inwendige weg, zoals bij de hemelse mens. De louter natuurlijke,
lichamelijke en wereldse mens meent dat alles wat hij 'bezit', het zijne is; de
hemelse mens erkent dat het des Heren is. De mens werd geschapen met een
inwendige en een uitwendige, dat wil zeggen, met een hemelse, een geestelijke
en een natuurlijke. Bij de mens van de Oudste Kerk waren ze niet met elkaar
verbonden, zoals ze in een mens zullen zijn in wie des Heren Nieuwe Kerk
regeert. De hemelse mens leefde in zijn inwendige dat uit de Heer was. Hij had
weliswaar ook een geestelijke en een natuurlijke, maar die graden waren in hem
niet ontwikkeld. Hij leefde op aarde reeds een hemels leven. Het verschil was
dat hij op aarde was en niet in de Hemel.
Het was de mens van die Kerk toegestaan te
genieten van alle dingen van de Heer, de dingen van het ware en het goede. Hij
wist niet alleen wat het goede en het ware waren, maar hij erkende dat ook.
Toch wordt ons in het Woord geleerd dat iets maakte dat hij het verlangen kreeg
door zichzelf geleid te worden en dat hij niet langer tevreden was met de
leiding van de Heer. Hier moeten we het Woord citeren en zien wat de inwendige
zin van deze tekst is. En de Heer God gebood de mens, zeggende: Van allen
boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten; maar van de boom der kennis des goeds
en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet,
zult gij de dood sterven (Genesis 2: 16, 17). De hemelse mens mocht uit
perceptie weten wat goed en waar was, maar hij mocht dat niet uit zijn eigene
weten, dat wil zeggen, hij mocht zich die kennis niet toe-eigenen als de zijne.
Er is slechts éen Goede en Ware, en dat is des Heren. Met dit vers wordt
bedoeld dat het geloof van de hemelse mens niet afgeleid mocht worden van de
kennis die een mens verkrijgt door middel van zijn zintuigen, dus van zijn
lichaam. De gevolgen van deze begeerte bleken daaruit als eerste dat hij er
niet langer mee tevreden was alleen te zijn. Daarom werd hem/haar een proprium
gegeven oftewel een eigene. De hemelse mens moest de keuze gegeven worden
tussen door de Heer geleid te worden of door zijn eigene. Daarom werd hem dit
gebod gegeven. De Heer gaf hem dit gebod, omdat zonder de mogelijkheid om te
kiezen de geestelijke ontwikkeling van de hemelse mens niet mogelijk geweest
zou zijn. Hij zou als de dieren geweest zijn die alleen maar hun aangeboren
neigingen volgen.
Om de vraag te beantwoorden waarom de hemelse mens
een eigene wilde hebben, moeten we iets weten over het eigene of proprium. Wie
is het Leven? Wie geeft ons het leven? Een godsdienstig mens antwoordt
natuurlijk direct: 'God oftewel de Heer, Hij alleen ís het Leven. Hij is het
die ons levend maakt en die als het ware de adem des levens in ons blaast. Hij
is het immers die ons het leven des geloofs en der liefde geeft.' Met andere
woorden, het Leven is des Heren, het is van Hem en Hij alleen heeft een Eigene,
iets wat van Hemzelf is, terwijl een mens uit de Heer leeft en dat wat hij zijn
leven noemt, is het leven van de Heer bij hem/haar. Hieruit kunnen we beginnen
te verstaan dat de hemelse mens niet langer verkoos in de staat te leven waarin
de Heer hem/haar kon leiden. Hij/Zij wilde zichzelf leiden. Hij/Zij wilde een
eigen proprium hebben en de Heer stond hem/haar dat toe. Ik breng u in
herinnering dat wat eigen is aan de mens woest en ledig is en vol duisternis.
Het heeft derhalve nauwelijks enig leven. Het proprium van de mens is dood.
Maar omdat de mens het begeerde, werd het hem/haar door de Heer gegeven, want
wie begeert is reeds in het boze, en het wordt hem toegestaan (Hemelse
Verborgenheden 139). De Heer gaf de hemelse mens een 'proprium' oftewel een
eigene, dat wil zeggen, dat het de mens toescheen dat het van hemzelf was. De
mens meende dat hij het leven uit zich had, hetgeen slechts schijnbaar zo was.
We zien dit bevestigd in de woorden Ik zal hem een hulpe maken, die als
tegen hem over zij (Genesis 2: 18), hetgeen het eigene van de mens
betekende. Het gevolg was dat de mensheid niet langer naar de leiding van de
Heer luisterde.
Tevoren wist de hemelse mens dat de Heer het Leven
is en allen het leven geeft, dat Hij de mens het vermogen geeft te denken en te
handelen als uit zichzelf, want de hemelse mens had de perceptie dat het
werkelijk zo was. Dit proces was nu begonnen te veranderen, doordat het de mens
toegestaan werd een proprium te hebben. Het proprium dat de hemelse mens
gegeven werd, was oorspronkelijk de Heer welgezind, dat wil zeggen, dat het
volgens de orde was. De Heer had het proprium van de mens levend gemaakt. Aan
de hemelse mens werden goedheden en waarheden gegeven, niet slechts om ze te
weten en te erkennen, maar opdat het goede hem ongemerkt ingegeven kon worden.
Dit wordt bedoeld met Want als de Heer God uit de aarde al het gedierte des
velds, en al het gevogelte des hemels gemaakt had, zo bracht Hij die tot Adam,
om te zien, hoe hij ze noemen zou; en zo als Adam alle levende ziel noemen
zoude, dat zou haar naam zijn. Zo had Adam genoemd de namen van al het vee, en
van het gevogelte des hemels, en van al het gedierte des velds (Genesis 2:
19, 20). Dit wordt bedoeld met dat het de mens toegestaan werd deze
hoedanigheden te kennen, de aandoeningen van het goede en de
wetenschappelijkheden van het ware. Maar hij was daar niet altijd mee tevreden
en begon het soms te versmaden dat deze dingen uit de Heer waren, ofschoon het
de Heer was die ze hem getoond had. Hij meende dan dat hij als God kon zijn.
Hij versmaadde ze, als hij overhelde naar zijn proprium. Ziet u, het scheen hem
toe dat deze dingen van hem waren en hij begon geen aandoeningen te hebben voor
de dingen die hij niet als de zijne beschouwde. U kunt daaruit inzien dat de
mens zijn proprium niet aanvaard zou hebben, als de Heer het niet levend
gemaakt had. De mens ging denken dat zijn proprium alles inhield wat hij bezat,
been van mijn benen, en vlees van mijn vlees (Genesis 2: 23). Het gevolg
van het feit dat hij zichzelf steeds meer ging leiden, maakte langzamerhand een
einde aan het hemelse leven dat hij in zijn wil uit de Heer opnam. Dat de Heer
het proprium van de mens levend maakte, blijkt uit de woorden En de Heer God
bouwde de ribbe, die Hij van Adam genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht
haar tot Adam (Genesis 2: 22). De wil en het verstand van de mens begonnen
van elkaar gescheiden te worden, want de mens liet zich steeds meer door zijn
eigen verstand leiden, in plaats van uit de Heer. Het nageslacht van de Oudste
Kerk had steeds minder perceptie, zodat ze ten slotte niet meer wisten wat goed
en waar was. De mens moest toen door middel van zijn verstand leren en als uit
zichzelf doen wat goed was, dat wil zeggen, hij ging zichzelf leiden, omdat hij
als het ware de Heer had verworpen.
De mens moest toen langs een uitwendige weg door
middel van de dingen die hij wist en door middel van zijn erkentenissen leren.
Hij had immers de Heer als zijn leidsman verworpen. Hij kon daardoor uit die
Bron niet langer de perceptie hebben van goedheden en waarheden, maar moest
zijn wetenschap verkrijgen door middel van zijn natuurlijk verstaan en wereldse
denkbeelden. De hemelse mens nam het Woord des Heren door middel van perceptie
op, terwijl het heden ten dage in geschreven vorm via zijn natuurlijk redelijk
verstand tot hem moet komen. U kunt hieruit begrijpen dat de Heer onmiddellijk
bij en in hem tegenwoordig was, aangezien zowel zijn wil als zijn verstand open
waren naar de Heer toe en dus de hoedanigheden van de Heer, de Heer Zelf in de
mens, het goede en ware, bij hem invloeiden. Zijn Koninkrijk was binnenin hem
en de mens was er zich bewust van dat dit zo was. We kunnen in het Woord lezen
dat dit zo is, want de Heer leert ons daarin dat het Koninkrijk der Hemelen
binnenin ons is. Heden ten dage heeft de mens daar geen perceptie van. Wij
moeten het eerst met ons verstand vatten, en hoe meer we proberen het
verstandelijk te vatten des te verder raken we ervan verwijderd. Er is echter
iets dat die inwendige verbinding van de mens met de Heer uitbeeldt. Het is het
huwelijk van een man met zijn ware echtgenote, want inwendig gezien is dat de
verbinding van het goede met het ware, van de wil van de mens met het verstand.
Dit heeft vanzelfsprekend betrekking op de Heer Zelf als zowel het goede als
het ware dat we in het binnenste van de mens kunnen zien. Ik breng u in
herinnering dat we die goedheden en waarheden binnenin de mens uit de Heer de
'overblijfselen' noemen. We hebben al gezegd dat het Proprium van de Heer het
Leven is, want Hij is de Liefde en de Wijsheid Zelf oftewel het Goede en het
Ware Zelf. We verstaan dat de Heer met de mens verbonden is door die
overblijfselen. Maar de hemelse mens wilde ten slotte een eigen proprium
hebben. Hoe meer hij/zij zich daarheen wendde des te meer kwam hij/zij tot het
boze. We weten dat de Heer niet met het boze verbonden kan zijn, maar de mens
wendde zich toch steeds meer daarheen. Wij leren hier opnieuw waarom de Heer
het proprium van de hemelse mens levend gemaakt had. De Heer maakte de hemelse
mens levend oftewel gaf hem/haar Zijn leven. Nu doet Hij dat door het eigen
proprium van de mens te verwijderen en hem/haar een nieuw proprium uit Hem te
geven.
n de hemelse mens was de verbinding van zijn
hemels proprium met de Heer door middel van zijn liefde en geloof. Zoals we
reeds eerder zeiden werd dat het Hemels Huwelijk genoemd. Dit werd uitgebeeld
door het brengen van de vrouw die Hij uit de rib van de man bouwde, naar de
mens. De rib betekende het eigene van de mens waarin heel weinig leven was en
de vrouw betekende het door het Leven van de Heer levend gemaakte proprium.
Hoewel de hemelse mens het goede en ware dat uit de Heer was, steeds vaker
verwierp, kon hij nog altijd door die waarheden geleid worden. Het was het uit
de Heer in de mens met Hem verbonden of gehuwde proprium, dat hem éen maakte
met de Heer. Door het levend gemaakte proprium gaf de Heer de mens ongemerkt
Zijn barmhartigheid, onschuld, vrede en goede in. Aldus was de Kerk in de mens.
De vrouw betekende die Kerk en de Heer de Echtgenoot.
We hebben echter gezegd dat de hemelse mens steeds
minder verkoos in de hemelse staat te leven en zich in de richting van de
geestelijke staat begon te ontwikkelen en zelfs van de natuurlijke en
lichamelijke staat. Zijn nageslecht liet zich steeds meer door de liefde van
het eigene oftewel de zelfliefde verleiden en geloofde ten slotte alleen
datgene dat door hun zintuigen bevestigd en door hun redelijke erkend werd. De
mens was niet langer in de onschuld die hij/zij door zijn/haar perceptie had,
net zoals een kind niet langer in de onschuld der kindsheid is als hij
volwassen wordt. Toen werden hun beider ogen geopend, en zij werden gewaar,
dat zij naakt waren (Genesis 3: 7). Toen zij als het ware aan hun eigene
werden overgelaten hadden zij niet langer inzicht en wijsheid, en zelfs geen
echt geloof. Ze waren 'naakt' ten aanzien van het goede en ware. De mens
schaamde zich en vergoelijkte zijn gedrag, want hij was toen in het boze. In
deze staat was de mens in het natuurlijk goede, waarin hij/zij nog enige
perceptie had. Daarom verborg hij zich als het ware in een nieuwe hof
overeenkomstig zijn nieuwe staat. Het leven van de mens was een
geestelijk-natuurlijk leven geworden. Zijn hemels leven werd verborgen binnen
het natuurlijk goede, hetgeen aangeduid wordt met in de boom in het midden
van het geboomte des hofs (Genesis 3: 8).
In plaats van geloof of het ware, had de mens geen
geloof meer en weldra geen liefde tot de Heer en geen liefde jegens de naaste,
dat wil zeggen, geen naastenliefde. De mensen vervielen tot valsheden en
boosheden, omdat ze niet langer in de Heer of Zijn Woord geloofden. Ze wilden
er zeker van zijn dat het ware wáar was voor ze het geloofden. Hun zelfliefde
begon te heersen, dat wil zeggen, hun proprium kwam op de eerste plaats. Toen
ze nog hemels waren, geloofden ze de Heer en Zijn Ware, en voelden ze vanbinnen
in hun hart Zijn liefde. Dit alles begon te veranderen. Hun ouders spraken
ongetwijfeld met hen over de Heer en over Zijn goede en ware. Ze wisten dus nog
steeds dat de Heer het Leven was en ze konden nog altijd denken en handelen,
dat wil zeggen, willen, maar niet uit perceptie. Ze dachten, wilden en
handelden uit hun eigen rede of redelijkheid ten aanzien van het Woord dat hun
verteld werd. Omdat ze voortdurend bezig waren met hun proprium werden zij
geestelijk-natuurlijke mensen. Vanwege hun proprium waren ze niet langer
verbonden met het hemelse en hadden ze niet langer perceptie. Daardoor begon de
mens het ware lief te hebben zoals hij het verstond uit zijn eigen redelijke,
dat wil zeggen, uit zijn zelfliefde.
kunt
begrijpen dat het proprium van de mens de liefde van de Heer verwierp en het
boze liefhad. In feite moest het ware nu tot de mens komen door middel van zijn
proprium, en het geloof was het eerste leerstellige van zijn leven geworden. De
mens leefde toen in het natuurlijke in plaats van uit de Heer die het Leven is,
te leven. De mens begon de mening te krijgen dat hij zelf het leven had, want
hij was een niet-wederverwekt mens, zonder geestelijk leven en zijn gemoed was
woest en ledig, zonder goedheden en waarheden. De zinnelijke dingen van de
mens, die dienstbaar waren geweest aan zijn innerlijk, begonnen toen te heersen
en hij had geen perceptie meer. De mensen werden lichamelijk en kwamen in de staat
der verdoemenis. Ze werden steeds meer van de Heer gescheiden naarmate het boze
hun wil binnenging. De oorzaak hiervan was dat het ware vanwege hun zelfliefde
hun gemoed binnenkwam door middel van het zinnelijke oftewel hun zintuigen. In
plaats van liefde tot de Heer en jegens de naaste of, anders gezegd, in plaats
van naastenliefde, ontstond er haat tegen de naaste oftewel tegen het goede,
dat uit de Heer eerder in de mens was geweest. U vraagt zich nu misschien af:
Waarom gaf de Heer de hemelse mens dan een proprium? In de eerste plaats deed
Hij dat niet. De Heer kan de mens niet iets geven wat boos is. Hij stond de
mens tóe een proprium te hebben, omdat de mens dat wenste en hij moest vrij
zijn om te kiezen tussen wat hijzelf wenste en wat uit de Heer kwam. In de
tweede plaats, de Heer kon de mens niet zijn eigen Proprium geven, want dat is
alleen van de Heer. Het is Goddelijk en hierdoor verlost en redt Hij de mens.
Deel 5
Laat ons het geloof van de Oudste Kerk verder
onderzoeken. In de eerste plaats was dat geloof uit de Heer vanuit Zijn Liefde.
Vervolgens zien we dat er in sommigen het verlangen opkwam dat geloof te
scheiden van de liefde. Zoals we al zeiden begon de mens van de hemelse Kerk,
te veranderen. Zijn geloof was steeds meer ontleend aan zijn eigenliefde in
plaats van de liefde van de Heer bij hem. Dit werd toen zijn geloof, een geloof
dat gescheiden was van de goddelijke liefde, dus van de Heer. We zien dat als
we lezen: dat Adam Heva, zijn huisvrouw bekende, en dat zij zwanger werd, en
Kaïn baarde, en zeide: Ik heb een man van de Heer verkregen (Genesis 4: 1).
Wat met deze woorden bedoeld wordt, is dat de leer van de Oudste Kerk begon te
veranderen. De leer was de Heer, de goedheden en waarheden die in de mens
waren. Zij, die tot de Oudste Kerk behoorden, gingen zelf een leer vormen. Het
was een leer die het geloof van de naastenliefde scheidde. Dat was de leer die
ze toen als waar gingen erkennen. Die nieuwe leer was Kaïn. Ze werd gevormd
door hen die tot die Kerk behoorden. We hebben reeds aangetoond dat het geloof
gescheiden werd van de liefde als iets dat op zichzelf stond. Dit blijkt uit
het feit dat Abel ook ontvangen en als leer gevormd werd in die Kerk, dat wil
zeggen dat mensen van die Kerk ook de leer der naastenliefde ontvingen naast de
leer des geloofs. Het verhaal van Kaïn die zijn broer Abel doodde, is het
verhaal van het geloof dat de naastenliefde doodde en naar de leer van het
geloof alleen leidde. We voegen hier aan toe dat omdat de mens van de boom der
kennis van goed en kwaad at, dat wil zeggen, omdat hij begeerde het ware te
kennen uit zijn eigene en niet uit de perceptie of inwendige weg uit de Heer,
hij zijn hemelse staat en hemels leven verloor. Zo zond de Heer God hem weg
uit de hof van Eden, om de aardboden te bouwen, waaruit hij genomen was
(Genesis 3: 23).
Vervolgens zien we Kaïn oftewel 'het geloof' als
het ware de aardbodem bebouwen; geloof zonder naastenliefde kweekt echter een
valse leer in de Kerk. Het geloof was nu het eerste beginsel en de
naastenliefde die uitgebeeld werd door Abel, een herder van de kudde, was het
tweede. De Heer is de Goede Herder en de Kerk is de kudde. Wat groeit er in de
aardbodem en wat brengt deze voort? Zijn het niet de waarheden? Worden niet de
zaden van het ware in de aardbodem binnenin de mens geplant? Welnu, als het
zaad uit het eigene van de mens is en niet uit de Heer, doen valsheden en
boosheden hem zich afkeren van de Heer in plaats dat goedheden en waarheden hem
zich naar de Heer doen toekeren, dan heeft de mens zichzelf meer lief dan de
Heer. Denk eraan, toen Jehovah God de mens in de hof van Eden stelde om die te
bebouwen en te bewaren, brachten de aandoeningen van het goede waarheden voort
en dat bracht de mens in verrukking. Het is niet gemakkelijk land te bebouwen
en er gewassen op te kweken. Naast waarheden groeiden er ook valsheden op. Wij
lezen dit in de tekst: Zo zond de Heer God hem weg uit de hof van Eden, om
de aardboden te bouwen, waaruit hij genomen was (Genesis 3: 23). Toen wat
Adam verbouwde ten slotte geoogst werd, bleek er een valse leer te zijn naast
de ware leer. Die had geen goede of naastenliefde meer uit de Heer, want wat de
mens meende goed en waar te zijn, was slechts schijnbaar goed en waar. De hemelse
mens was met de Heer verbonden door de liefde of naastenliefde. Daarom werd de
offerande van Abel door de Heer aanvaard, want hij offerde de eerstgeborenen
zijner schapen (Genesis 4: 4) aan de Heer. Het is duidelijk dat met de
eerstgeborene de Heer wordt bedoeld, dat wil zeggen, Zijn liefde. Die is de
eerste liefde uit het Goddelijke en de Enig-verwekte.
Wat de leer der Oudste Kerk was geweest, werd toen
veranderd in de leer van het 'geloof alleen', hetgeen niet een echt geloof
oftewel een echte leer was. Het goede, de liefde, is het tegenovergestelde van
het boze, dat zonder naastenliefde is. Dat ontbreekt eraan. De nakomelingen van
de hemelse mens begonnen van hemels natuurlijk te worden en hun aangezichten
vervielen (zie Genesis 4:5). Net als bij de engelen weerspiegelden de
aangezichten van de hemelse mensen hun binnenste, zoals de glimlach bij een
kind dat zich inwendig verheugt of een frons als het verdrietig is. De
gezindheid van het gemoed van een mens weerspiegelt zich in zijn gezicht. Het boze
van de mens nam steeds meer de plaats in van het goede des Heren en het valse
nam steeds meer de plaats in van het ware. Vervolgens zien we dat de liefde van
de Heer niet verminderd was, al had de mens van de Kerk de naastenliefde
gescheiden van het geloof. Zij die nu meenden dat het geloof het eerste en
belangrijkste van de Kerk was, konden nog altijd met de Heer verbonden worden,
als ze Zijn lering, waarin Hij hun zei wat ze moesten doen, aanvaardden. Is
er niet, indien gij weldoet, verhoging? (Genesis 4: 7). Deze woorden worden
gevolgd door de waarschuwing: en zo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de
deur (4: 7). Wat er met de mens gebeurd was, was dat hij de orde veranderd
had. De waarheden kwamen zijn gemoed niet langer binnen langs zijn wil oftewel langs
de inwendige weg, maar door middel van het verstand, dus langs de uitwendige
weg. Toch bleek uit het geloof of de mens naastenliefde had, want geestelijk
goede bedoelingen die het natuurlijk gemoed door het verstand binnengingen,
konden handelingen worden. Het nageslacht van de Oudste Kerk ontwikkelde een
geloof dat wezenlijker werd dan de liefde tot de Heer van hun voorouders
geweest was. Hun zelfliefde werd bevestigd door hun leer, die op de eerste
plaats kwam in plaats van de liefde tot de Heer. Zoals ons geleerd is, werd dit
de leer van de mensen der Oudste Kerk. Ze werden steeds meer door hun boze wil
geleid. Zij gingen daardoor het geloof scheiden van de liefde en de
naastenliefde, en hun geloof ging over de naastenliefde heersen. Van hun ouders
erfden zij het boze, waaraan zij hun daadwerkelijk boze toevoegden, hoewel ze
meenden dat hun beslissingen redelijk waren. Hun geloof was niet langer een
echt geloof. Wat iemand gelooft het ware te zijn, is het licht dat zijn
verstand verlicht. Als wat de mens gelooft in werkelijkheid een leugen is,
begrijpt u hoeveel echt licht eruit dat zogenaamde ware voortgaat. Dat is
weinig of geen licht. Tenzij er een vlam oftewel naastenliefde is, is er geen
licht. De mens van de Oudste Kerk werd geleidelijk steeds meer natuurlijk en
lichamelijk. En het licht dat zijn voorgeslacht had gehad, werd duisternis
naarmate de warmte oftewel de vlam der liefde veranderde in het boze.
De leer vervalste en hun geloof trachtte alle
naastenliefde uit te doven. Er ontstond strijd tussen dat geloof en de
naastenliefde. Zodoende was het einde van de hemelse Kerk haar verwoesting,
want zij was ten slotte geheel verstoken van alle liefde, zoals ook geschiedde
met alle volgende Kerken tot aan de Nieuwe Kerk des Heren. En Kaïn sprak met
zijn broeder Habel; en het geschiedde, als zij in het veld waren, dat Kaïn
tegen zijn broeder Habel opstond, en hem dood sloeg (Genesis 4: 8). Hun
leer was nu geheel die van het geloof alleen, want het geloof had de
naastenliefde gedood. Het geloof is de broeder van de naastenliefde en zij
zouden in harmonie met elkaar moeten samenleven. Als dat zo is, is de mens met
de Heer verbonden. Maar hoe kunnen zij met elkaar in harmonie samenleven, als
het geloof de naastenliefde doodt? Het echte geloof leert de mens de waarheden
en hij moet die waarheden, welke des Heren zijn, gehoorzamen. De Heer leerde
dat in de woorden: Een iegelijk dan, die deze Mijn woorden hoort en dezelve
doet, dien zal Ik vergelijken bij een voorzichtig man &…; En een iegelijk,
die deze Mijn woorden hoort en dezelve niet doet, die zal bij een dwaze man
vergeleken worden (Mattheus 7: 24, 26).
Mettertijd kwam de mens van de Oudste Kerk steeds
meer in een natuurlijke staat, als het ware afgescheiden van de Heer. Hij werd ten
slotte zinnelijk en lichamelijk. Hij beschouwde zelfs de naastenliefde als
niets. Het gevolg was dat de mensen zichzelf vervloekten en ketterijen leerden
in plaats van waarheden. Door hun geloof tot het eerste in hun leven te maken,
werd hun leer die van het geloof alleen oftewel het geloof gescheiden van de
naastenliefde. De waarheden kwamen toen tot hen door hun verstand en daardoor
zagen zij slechts verschijningsvormen van het schijnbaar ware. Voor zij tot
deze staat kwamen, was hun geloof of ware uit de liefde tot de Heer en hadden
zij de perceptie of iets waar was. Nu moesten zij, net als wij thans, leren wat
waar was. Als gij de aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet
meer geven (Genesis 4: 12). Met andere woorden, het geloof alleen is onvruchtbaar.
In het begin wisten zij die tot de Oudste Kerk
behoorden, dat ze gezondigd hadden, en zij waren daarover bevreesd. Er bleef
nog enig goede in hen toen zij in deze staat kwamen. Later ging ook dat goede
verloren, want het geloof alleen doodde de naastenliefde. De angst voor de
gevolgen van hun daad, blijkt uit de woorden: Zie, Gij hebt mij heden
verdreven van de aardbodem, en ik zal voor Uw aangezicht verborgen zijn; en ik
zal zwervende en dolende zijn op de aarde (Genesis 4: 14). We weten dat er
uit óns zelf (eigene) niets goeds voortkomt. De hemelse mens wist dat het goede
en ware uit de Heer waren. Wat hem met de Heer verbonden had, was nu verbroken.
De liefde van de mens was nu op zijn zelf gericht en zijn geloof werd
veroorzaakt doordat wat hij nu wist zonder de liefde tot de Heer was, want zonder
de naastenliefde is er ontbinding. Bestaat er ontbinding, zo is hij aan
zichzelf of aan het eigene overgelaten (Hemelse Verborgenheden 389).
Toen de hemelse mens zich naar zijn eigene wendde,
verloor hij zijn onschuld en keerde hij zich van de inwendige lering af. De
mens had niet langer perceptie, maar hij ontwikkelde een geweten, als hij het
Woord des Heren geloofde en ernaar leefde, dat wil zeggen, als hij het ware
geloofde terwille van het ware. In het begin werd het Woord Gods mondeling aan
het nageslacht doorgegeven. Later werd het op schrift gesteld. Zo bleef Het
voor de mensheid bewaard. Als de mens het Woord geloofde, kon hij nu hervormd
worden en werd de orde hersteld. Hij kon zo weer tot de liefde tot de Heer en
tot de naastenliefde gebracht worden, want dat was zijn wederverwekking. We
begrijpen dit als we geloven dat de Kerk met de Heer verbonden is door de twee
grote Geboden, namelijk de Heer boven alles lief te hebben en de naaste als
zichzelf, dat wil zeggen door het geloof bij zichzelf en de medemens niet te
doden. En de Heer stelde een teken aan Kaïn, opdat hem niet versloeg al wie
hem vond (Genesis 4: 15).
Het verstand van de mens was niet langer éen met
zijn wil. Hij richtte zijn blik niet langer naar de Heer, want de wil des Heren
regeerde niet meer in hem. Dit proces ging verder in de nakomelingen van hen
die van de Oudste Kerk waren geweest. Iedere volgende leerstelling bracht een
verder verval van de mensen in valsheden. Het proces van het voortbrengen en
als iets nieuws aanvaarden, dat echter uit hun eigene was, ging voort totdat de
mens ten slotte geheel boos en vals was en al het goede en ware bij hem
opgehouden had te bestaan. Het ene na het andere schisma (ketterij) was het
gevolg. Dit wordt duidelijk in de woorden: En hij (Kaïn) bouwde een stad, en
noemde de naam dier stad naar de naam zijns zoons Henoch (Genesis 4: 17).
De stad betekent de leer, zoals de Nieuwe Kerk die thans nederdaalt Nova
Hierosolyma heet oftewel het Nieuwe Jeruzalem dat op aarde nederdaalt naar de
mensen.
Einde.