ÝTerug naar de prekenpagina

 

Preek over de Opstanding (Johannes 20: 1)

door ds. P. Booth

 

Voorlezingen:

-       Hemelse Verborgenheden 14, 1729 § 2,

-       Jesaja 33: 5-10,

-       Johannes 17: 1-5, 9-11, 21-24

 

 

En op de eerste dag der week ging Maria Magdalena vroeg, als het nog duister was, naar het graf; en zag de steen van het graf weggenomen.

(Johannes 20:1)

 

Er wordt ons in de andere Evangeliën verteld dat verscheidene vrouwen met Maria Magdalena meegingen naar het graf van Jezus. En we weten ook dat ze specerijen bij zich hadden om, volgens de gewoonte voor het lichaam te gebruiken. Er zijn daarin diepe, geestelijke waarheden verborgen, net als in alles van het Woord Gods. In het Evangelie naar de beschrijving van Johannes wordt de naam Maria Magdalena vermeld, maar in de andere Evangeliën wordt ook van andere vrouwen gesproken. Waarom Johannes alleen Maria Magdalena noemde, en niet de andere vrouwen, heeft een bepaalde betekenis. Elk verschil heeft een geestelijke zin. De reden voor de viering van deze eredienst is ons de Wederopstanding en Verheerlijking van de Heer in herinnering te brengen. Dat Hij Zijn Menselijke met het Goddelijke verenigde betekent dat de Vader binnenin Hem was. Want door de Vereniging werden het Goddelijke en het Menselijke Eén. De Heer had uit Maria Magdalena zeven duivels uitgeworpen, toen zij zich tot Hem had bekeerd. In de geestelijke betekenis wordt dan ook onder haar de bekeerling verstaan, die Hem liefhad.

 

We zullen geen aandacht besteden aan de betekenis van de andere woorden in deze tekst, behalve éen woord: graf. Het Woord van de Heer is het leven dat in ons invloeit. Als we ons gemoed, onze wil en ons verstand, ervoor openen om Het niet alleen aan te horen en er kennis van te nemen, maar Het ook te overdenken en erkennen, geeft dat Woord ons werkelijk Leven. De Heer heeft immers gezegd dat Hij de Weg, de Waarheid en het Leven is. Het ware Leven is geestelijk. Op natuurlijke wijze verstaan, betekent het graf de dood. Maar de Heer, die het Woord oftewel het Ware is, is eeuwig. In de geestelijke zin wordt dan ook onder het graf het Leven verstaan en dus de Hemel. Het leven houdt niet op bij het overlijden van een mens, maar het gaat voort. De Wederopstanding van de Heer was het Feit dat Hij na Zijn lichamelijke dood zowel ten aanzien van Zijn Geest als ten aanzien van Zijn Verheerlijkt Lichaam tot in Eeuwigheid Leeft.

 

Voor haar Hervorming leidde Maria Magdalena een zondig leven.Haar Her-vorming begon met de verwijdering van die specifieke boosheden die haar leven beheerst hadden en die de Heer kon wegnemen, doordat zij in Hem geloofde en Hem liefhad. Daarom handelde zij toen overeenkomstig de Liefde en het Geloof dat vanuit de Heer in haar gemoed, haar nieuwe Wil tot het Goede en Verstaan van het Ware invloeide.

 

Lucas beschrijft haar emoties, en die van de andere vrouwen, bij het zien van het lege graf en de verschijning van de Engel. Eerst zagen zij dat de steen die het graf afsloot, afgewenteld was en dat het graf open was. Niets staat een mens dan meer in de weg, niets kan hem/haar meer beletten een nieuw leven van Wederverwekking te beginnen door Berouw en Hervorming van Verstand en Wil. U weet ongetwijfeld dat de steen het Ware betekent. Maar in dit geval betekent hij het valse dat het Woord ontoegankelijk gemaakt had. Als het Ware door het natuurlijk verstand beschouwd wordt, ziet de mens niet het echte Ware, maar slechts een schijn ervan, omdat hij het dan met zijn natuurlijke zintuigen ziet. Maar als een mens het Ware met zijn geestelijke zintuigen ziet, dat wil zeggen, vanuit de Heer, ziet hij iets van het Geestelijk Ware.

 

Het gaat in deze preek in de eerste plaats over de Wederopstanding van de Heer. De Wederopstanding ten leven van de mens wordt bewerkstelligd door zijn /haar Hervorming en Wederverwekking. Als de Heer niet opgestaan was uit het graf zou de mensheid in haar zondige staat gebleven zijn en dat zou het einde van haar betekend hebben. Wij gaan door met het verhaal over de Wederopstanding. We lezen: Zij liep dan, en kwam tot Simon Petrus en tot de andere discipel, welke Jezus liefhad, en zeide tot hen: Zij hebben de Heer weggenomen uit het graf, en wij weten niet, waar zij Hem gelegd hebben. (Johannes 20:2).

 

De eerste daad van Naastenliefde van een mens is dat hij/zij zich afkeert van het boze dat in hem/haar is. In die handelingen van het schuwen van wat boos en vals is in zijn gemoed begint de Naastenliefde zijn gemoed binnen te treden, dat wil zeggen, begint de vernieuwing van het leven van die mens. In de werkelijk berouwvolle zondaar verbinden het ware en het goede zich met elkaar, en blijven ze niet gescheiden, zoals bij hen die in het geloof alleen zijn. We zien dat uitgebeeld door Simon Petrus en de discipel die Jezus liefhad. De Engelen in de Hemel hebben geen namen zoals de mensen op aarde; maar zij hebben een naam overeenkomstig hun functie (De Apocalyps Ontvouwd 735-2). En, algemeen gesproken, wordt daar aan iedereen een naam gegeven met betrekking tot zijn hoedanigheid. Peter betekent in het Woord dan ook niet de historische persoon, die bekend staat onder de naam Petrus, maar het ware vanuit het goede. En dat is het Geloof vanuit de Naastenliefde, het voornaamste beginsel van de Kerk. Het is het eerste waarin een mens bij zijn Wederverwekking onderricht wordt. De andere hoedanigheid die van de grootste betekenis is, wordt aangeduid door de naam van de discipel die Jezus liefhad. Die discipel heette Johannes. De geestelijke betekenis van Johannes is het goede der liefde tot de Heer. Maria Magdalena en de andere vrouwen handelden uit liefde tot de Heer toen zij vroeg in de morgen naar het graf gingen om - naar zij meenden - voor Zijn lijk te zorgen. De mens die zijn/haar boosheden schuwt, zoekt als het ware de waarheden die hem/haar leren wat handelen vanuit Naastenliefde is en wordt zodoende tot het goede des levens geleid. Dan wordt het ware verbonden met het goede. De mens die het ware weet en misschien zelfs erkent, maar er niet naar leeft, handelt uit zijn zelf en niet uit het Zelf dat vanuit de Heer in hem is.

 

Misschien is de term 'het goede des levens' u niet bekend. Maar als u hoort of weet dat iemand een boos of slecht leven leidt, kan dat u enig idee geven wat met 'het goede des levens' bedoeld wordt. Het goede willen leidt tot het goede doen. Met het goede wordt de liefde tot de Heer en de naastenliefde jegens de Naaste bedoeld. Welnu, het is de Heer die ons het leven geeft, het natuurlijke en het geestelijke leven. En de liefde tot het goede en ware. Dat leven vloeit vanuit de Heer in ons binnenste in en vandaar in ons verstaan van Zijn Woord, als wij dat willen verstaan. En als wij overeenkomstig het verstane ware leven, brengt ons dat tot het goede des levens. Dan worden het goede dat onophoudelijk vanuit de Heer in ieders gemoed invloeit en het ware dat de mens in zijn verstand opneemt, met elkander verbonden. Petrus en Johannes haastten zich naar het graf om te zien of het waar was wat Maria Magdalena hun verteld had.

 

Innerlijk gezien ging Maria Magdalena naar de Naastenliefde en het Geloof vanuit de Naastenliefde, met andere woorden, naar de Kerk. Want met de discipelen worden alle Dingen van het ware en goede des Geloofs en der Naastenliefde aangeduid (Hemelse Verborgenheden 8902-12). Daarom ging Maria Magdalena, die Jezus had geloofd, naar Petrus en Johannes toe. En het eerste dat ze zich afvroeg, was waar zij die de Heer weggenomen hadden, Hem gelegd hadden. Want Maria Magdalena had niet, zoals wij, de wetenschap dat de Heer was opgestaan, dat Hij het boze overwonnen had.

 

Petrus en Johannes ontdekten dat het graf leeg was. Het enige wat ze erin vonden, waren de doeken, waarin het lichaam van Jezus gewikkeld was geweest en de zweetdoek die op Zijn hoofd geweest was. Dat betekent dat de Heer de oude kledingstukken oftewel waarheden van de Israëlitische en Joodse Kerk, die vervalst waren, had afgelegd. Hier wordt ons iets geleerd wat heel belangrijk is. Het ware zonder het goede is niet het echte Ware. En het Goede heeft het Ware nodig en moet ermee verbonden worden. Anders is het goede het Goede niet. Dan kan een mens niet weten of wat hij goed noemt, werkelijk Goed is. Alles wat hij ziet is dat er enige kennis is die hij kan leren. Maar als hij zich die wetenschap niet, als het ware, eigen wil maken door ernaar te leven, blijft ze een gesloten boek voor hem. De Israëlitische en Joodse Kerk wisten dat Jehovah op aarde zou komen. En toen dat gebeurde, verwierpen zij Hem massaal, omdat die Gebeurtenis niet overeenkwam met wat zij ervan meenden te 'weten'. Daarom geloofden zij ook niet in zijn Opstanding. Maar als een mens vanuit liefde handelt, zoals Maria Magdalena en de andere vrouwen deden, wordt het verstand door de Heer geopend en ziet de mens het Ware. Maria Magdalena zag twee Engelen, en kort daarna de Heer. Zij herkende Hem eerst niet. Toen Jezus haar echter aansprak en haar Maria noemde, dat wil zeggen Zich tot de hoedanigheid van haar, die vanuit Hemzelf was, richtte, werden haar ogen geopend. Toen zag zij Hem met haar geestelijke ogen. Dit leert ons dat de Heer zien wil zeggen het Geestelijk Ware zien. Dat is alleen maar mogelijk door de Aandoening van het Ware. Maria had die Aandoening. En het leert ons ook dat horen in de geestelijke zin betekent opnemen en doorvatten. Met andere woorden, er moet gehandeld worden volgens die Aandoening. Er moet het oprechte streven zijn te laten wat boos is, opdat de mens kan doen wat Goed is. De Liefde van de Heer gaat voortdurend het inwendige van ieder mens binnen. En ieder mens is in staat het ware met zijn zintuigen op te nemen en het te gehoorzamen door ernaar te leven uit liefde tot de Heer. Die liefde heet Naastenliefde. Ze is de liefde voor wat vanuit de Heer Goed en Waar is, en het Geloof daarin. Die Liefde en dat Geloof zijn niet van de mens, maar vanuit de Heer.

 

Tot zover hebben we het gehad over de Wederverwekking en Verlossing van een mens. En we hebben over de Inwendige Zin van het Woord gesproken. Maar we willen verstaan wat de Opstanding van de Heer betekende, want, zoals gezegd, als de Heer niet Opgestaan zou zijn, zou de mensheid verdoemd zijn.

 

De Verheerlijking en de Opstanding van de Heer ten aanzien van Zijn Menselijke is de Bron van de Zaligmaking van ieder mens. Als wij ten aanzien van ons vlees sterven, dat wil zeggen, ten aanzien van ons zondige leven, staan wij als het ware op in een nieuw leven in de Hemel, net als de Heer in Zijn Opstanding opsteeg naar Zijn Vader. Dan is de Heer ten aanzien van Zijn Goddelijk Menselijke onze Vader.

 

De Wederverwekking van de mens is een beeld van de Verheerlijking van de Heer. En wij zien die Verheerlijking in de Verrijzenis van de Heer, want deze is de Vereniging van Zijn Menselijke met Zijn Goddelijke, aangezien Verheerlijken betekent Goddelijk maken. Door die Verheerlijking worden de boosheden tot in eeuwigheid in de hel onderworpen gehouden aan de Heer. Vandaag vieren wij de Verheerlijking van de Heer. En wij herdenken dat de Heer daardoor onze Verlossing mogelijk gemaakt heeft, niet alleen door Zijn lijden aan het kruis, maar ook door alle verzoekingen die Hij onderging en Zijn Overwinningen erop. Hij onderging die verzoekingen vanaf het ogenblik dat Hij in de wereld kwam totdat Hij de kruisdood stierf. Daarna stond Hij wederop uit de dood en verheerlijkte Zichzelf.

Wij lezen hierover in Johannes 12, waar staat dat Jezus zei: Nu is Mijn ziel ontroerd; Vader, verlos Mij uit deze ure! Maar hierom ben Ik in deze ure gekomen.&…; Vader, verheerlijk Uw naam. Er kwam dan een stem uit de hemel, zeggende: En Ik heb Hem verheerlijkt, en Ik zal Hem wederom verheerlijken.&…; Jezus antwoordde en zeide:&…; Nu is het oordeel dezer wereld; nu zal de overste dezer wereld buiten geworpen worden (Johannes 12: 27, 28, 31).

Als wij, als het ware uit onszelf, de overste van deze wereld buiten ons gemoed werpen, kan de Heer Zich erin, dat wil zeggen, in onze wil en verstand, openbaren en ons het ware Leven, de Hemelse Staat deelachtig maken.

 

De Wederverwekking van ons is de Verheerlijking van de Heer in ons gemoed. Wij lezen dat in Johannes 17: 22: En Ik heb hun de heerlijkheid gegeven, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij één zijn, gelijk als Wij Eén zijn (Johannes 17:22). Hun heeft betrekking op hen die de Heer liefhadden. De Heer bad voorts: Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt; opdat zij Mijn heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt; want Gij hebt Mij liefgehad, vóór de grondlegging der wereld (Johannes 17: 24).

 

Toen twee Discipelen op weg waren naar Emmaus, spraken zij over de Dingen die er gebeurd waren. Terwijl zij spraken, voegde Jezus Zelf Zich bij hen en vroeg hun: Wat redenen zijn dit, die gij wandelende, onder elkander verhandelt, en waarom zijt gij droevig? Zij vertelden Hem wat er gebeurd was en eindigden met hun ontstellende ervaring van het lege graf. Hierop zei de Heer tot hen: O onverstandigen en tragen van hart om te geloven al hetgeen de Profeten gesproken hebben! Moest de Christus niet deze Dingen lijden, en alzo in Zijn Heerlijkheid ingaan?

 

We hebben gesproken over de Opstanding van de Heer en Zijn Verheerlijking, en over de Wederverwekking van de mens, diens Zaligmaking en de Openbaring van de Innerlijke Zin van het Woord aan hem. De Opstanding van de Heer betekent dan ook voor ons veel meer dan Zijn Verrijzenis uit het graf. Ze betekent dat Hij elke dag, ja, elk ogenblik, in het gemoed van de Wederverwekte Mens verrijst. Dit verhaal gaat niet alleen over de Verrijzenis van de Heer uit het graf op die morgen. Maar het handelt over Zijn Wederkomst tot de Mens van de Nieuwe Kerk, dat wil zeggen, over Zijn Koninkrijk op de aarde en in de Hemel. Want het Koninkrijk des Heren, de Nieuwe Christelijke Kerk, wordt gevestigd in het gemoed van de Wederverwekte Mens. Zo vaak als het Goede van de Goddelijke Liefde en het Ware van het Geloof in een mens opgenomen worden, komt de Heer in die mens, staat Hij daarin op uit het graf en openbaart Hij Zich aan haar/hem.

Amen.

 

é Keer terug naar het begin.