ÝTerug naar de prekenpagina

 

Preek over de Staat van de Aanvang van de Wederverwekking van de Mens (Genesis 28: 10,11)

door ds. Paul Booth

 

Voorlezingen:

-       Genesis 28: 10,11,

-       Johannes 3: 5-7,

-       Hemelse Verborgenheden 3690:2

 

 

Jakob dan toog uit van Ber-séba, en ging naar Haran.  En hij geraakte op een plaats, waar hij vernachtte; want de zon was ondergegaan; en hij nam van de stenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw, en legde zich te slapen te dierzelver plaats.

(Genesis 28: 10,11)

 

We hebben allemaal, bijvoorbeeld in onze kinderjaren, historische verhalen, zoals dat waarin onze tekst van vandaag voorkomt, gehoord en gelezen.  Ze zijn ons van nut geweest, ondanks dat ze ver verwijderd zijn van de wezenlijke dingen van de Goddelijke Leer die we allen meer en meer moeten gaan kennen.  We lezen en leren ze eerst in een uitwendige of natuurlijke staat en dan zijn het slechts uitwendige waarheden in verschijningsvormen.  Wij leven hier op aarde in een natuurlijke of uitwendige staat ver verwijderd van de Goddelijke Leer.  En de waarheden die we in deze 'kinderlijke staat' uit het Woord opnemen zijn slechts uitwendige waarheden.  Maar door naar die historische waarheden, als die welke we vandaag in de voorlezing uit het Oude Testament gehoord hebben, zoals we ze thans verstaan, te leven, kunnen we langzamerhand naar meer innerlijke waarheden en goedheden geleid worden, en ten slotte naar Goddelijke dingen.  Daarvoor moet er een verbinding zijn tussen de Heer en ons, opdat we teruggevoerd kunnen worden naar de Heer en naar de Hemel.

 

Aan hen die tot des Heren Nieuwe Kerk behoren, is door het Derde Testament van het Woord geopenbaard dat er binnenin het Woord een inwendige zin een geestelijke en een hemelse zin is, die in het binnenste Goddelijk is.  Hoewel wij in de uitwendige graad leven, wordt ons in het Woord geleerd dat de historische verhalen, die zo ver verwijderd zijn van de Goddelijke waarheden, van binnen waarheden en goedheden bevatten.  Het Latijnse Woord heeft ons geleerd dat een naam die we in het Woord lezen, de aard en de hoedanigheid van een mens of ding betekent en daardoor kunnen we gaan inzien dat het Woord in de eerste plaats over de Heer handelt, want dat is door het Woord aan de mensheid onthuld.  Ze leren we, bijvoorbeeld, dat de naam Jacob een bepaalde hoedanigheid van de Heer aanduidt.  Die hoedanigheid is in dit geval het goede van het ware (vergelijk Hemelse Verborgenheden 3679).

 

Toen de Heer op aarde kwam, nam Hij het 'leven' van een mens aan.  Dat was een natuurlijke staat zonder enige rechtstreeks kennis of verbinding met het Goddelijke.  In deze staat kwam de verbinding tot stand door middel van dat goede van het ware.  U herinnert zich ongetwijfeld dat de Heer bij ieder mens is (vergelijk Ware Christelijke Godsdienst 766).  Hij is zowel bij de goeden als bij de bozen tegenwoordig.  Hij is bij de mens in de onschuld.  Met de woorden Jakob dan toog uit van Ber-séba, wordt bedoeld dat de Heer, toen Hij als kind op aarde was, in een 'leven' was dat ver verwijderd was van het Goddelijke, zoals het natuurlijk leven is, als de mens hervormd noch wederverwekt is.

 

In die staat verlangde de Heer in verbinding te zijn met het Goddelijke.  Het leven in het uitwendige moet wederverwekt worden, opdat er verbinding is met de Heer en vergemeenschapping met de Hemel.  De Heer kwam Zelf in zo'n staat om de mensheid te kunnen behouden.  Hij verenigde daartoe Zijn Natuurlijke met het Goddelijke in Zich en werd daarmede het Goddelijk Menselijke.

 

Evenals de Heer, toen Hij als kind op aarde was, zijn wij, als 'kinderen', in de waarheden van het goede, wanneer we de geschiedenissen van het Woord op onschuldige wijze lezen, ondanks dat ze ver verwijderd zijn van het Goddelijk ware.  Ze dienen om ons langzamerhand in te leiden in de leerstellige dingen van meer innerlijke waarheden en goedheden.  Laten we dit nader bezien.  Als een kind deze geschiedenissen leest of als ze hem/haar verteld worden en hij/zij erdoor aangedaan worden, is dat uit kinderlijke onschuld.  De Engelen, die bij het kleine kind zijn, zijn in een hemelse staat van geluk, want ze zijn uit de Heer in de inwendige zin, dat wil zeggen, in inwendige waarheden, welke die geschiedenissen uitbeelden en aanduiden.  De mens die de idee verwerpt dat deze geschiedenissen en profetieën vanbinnen Goddelijk zijn, zal zo'n verband niet zien, omdat hij in zijn eigen inzicht gelooft en niet weet dat er geesten en engelen bij hem zijn.  Zijn wereldwijsheid sluit zijn gemoed en hart steeds meer naarmate hij ouder wordt.

 

De staat waarover we spreken is de eerste staat in de wederverwekking van de mens.  Dan is hij/zij als het ware nog een klein kind.  Die staat kan vergeleken worden met de natuurlijke staat waarin de mens geboren wordt.  De mens moet opnieuw geboren worden in geestelijke zin opdat hij/zij wederverwekt kan worden.  In die staat begint de mens met waarheden die nog ver verwijderd zijn van de Goddelijke waarheid, met andere woorden, hij/zij begint met uitwendige waarheden, die hij/zij in de letterlijke zin van het Woord leest.  Een klein kind vindt de geschiedenissen en verhalen van het Woord prachtig.  Als de mens het aanvaardt dat de Heer hem/haar verlossen wil, wordt hij ook aangedaan door de waarheden die hij/zij uit het Woord leert, ook al is hij/zij zich er niet van bewust dat er vanbinnen geestelijke en hemelse waarheden van de Goddelijke Leer verborgen liggen.  Ziet u, de mens kan erover verheugd zijn dat hij/ zij weet wat waar is, zoals het een kind verheugt als het de in het Woord geschreven geschiedenissen hoort of leest.

 

In die periode of staat leeft de mens slechts in het uitwendige.  Maar als hij gaat leven overeenkomstig de waarheden die hij geleerd heeft, komt hij in het leven van het ware, dat nog ver verwijderd is van de kennis van de Goddelijke Leer.  Dat leven is nog geen geestelijk leven, want ieder mens kan en behoort te leven overeenkomstig de burgerlijke wetten, wetten die overeenstemmen met de in het Woord gegeven geboden.  Iedereen die overeenkomstig die wetten leeft, kan een zedelijk leven leiden.  Als een mens volgens de burgerlijke en zedelijke wetten van zijn land leeft, betekent dat nog niet dat hij in een geestelijk leven is.

 

U ziet hierin dat de Heer de mens stap voor stap wederverwekt doordat Hij hem uit een ver verwijderde staat van leven, van kinderlijke onschuld, in welke staat het kleine kind geniet van de uitwendige zin van het Woord, naar een burgerlijk en zedelijk leven, een leven waarin hij in de letterlijke zin van het woord, niet doodt, geen echtbreuk pleegt, niet steelt, enzovoort, naar een geestelijk leven leidt.

 

Nogmaals, in de tekst van vandaag is het in de hoogste zin de Heer die aangeduid wordt met de waarheden van het goede, welke hier uitgebeeld worden door de uitwendige goedheden en waarheden van die eerste graad.  Er is een onderscheid van het goede en ware volgens de graden; innerlijke goedheden en waarheden zijn van een hogere graad dan uiterlijke.  Bijvoorbeeld: de laagste, zintuiglijke goedheden en waarheden behoren tot het lichaam, de daaropvolgende graad van goedheden en waarheden behoort tot de natuurlijke mens en tot de nog hogere graad behoren de redelijke waarheden en goedheden.  Dit zijn de zintuiglijke, de natuurlijke en de redelijke graden van de mens.  De redelijke graad is de innerlijke graad en de natuurlijke is vanzelfsprekend de uiterlijke graad, terwijl de laagste graad de uitwendige of zintuiglijke graad is.  Al het goede en ware vloeit van de hogere graad naar de lagere, en niet omgekeerd.  Innerlijke goedheden en waarheden vloeien in uiterlijke goedheden en waarheden, die lager zijn, en vertonen zich daar in een beeld.  Er is derhalve een scheiding van goedheden en waarheden in de onderscheiden graden.

 

Kan de mens, als hij geen wetenschap heeft van deze graden, omdat hij niet in verlichting is, weten hoe het gesteld is met zijn lichaam en zijn geest?  Lijkt het niet of zijn lichaam, dat natuurlijk en materieel is, gescheiden is van zijn geest? Het Woord leert dat er drie Hemelen zijn, waarvan de ene innerlijker is dan de andere, terwijl de derde de binnenste is.  Deze drie zijn volkomen onderscheiden van elkaar, overeenkomstig de graden, Zij die in de derde Hemel zijn, zijn het dichtst bij de Heer.  Zij die in de middelste of tweede Hemel zijn, zijn verder verwijderd van de Heer en zij die in de eerste Hemel zijn, zijn nog verder verwijderd van Hem.  Naarmate we deze dingen gaan weten, leren we dat er een verbinding is tussen die Hemelen, zoals er een verbinding is tussen ons uiterlijke en innerlijke, of wat hetzelfde is tussen ons zintuiglijke en ons natuurlijke, tussen ons natuurlijke en ons redelijke.  Evenzo is er vergemeenschapping en verbinding tussen de Hemelen.  Daarom staat er in het Woord dat de mens als het ware een Hemel in het klein is.  Bij voorbeeld: wat we als kind geleerd hebben, heeft zich ontwikkeld in onze jeugd en later toen we volwassen werden en redelijk gingen denken.  Zo is het ook als we geestelijk wedergeboren worden.  We ontwikkelen ons in geestelijke zin van zuigeling en kind tot puber en ten slotte tot volwassene.

 

De laagste graad van het goede en ware, waarop onze tekst betrekking heeft, is 'als het ware' de laagste of eerste Hemel.  Ze is verder verwijderd van de Heer dan de Hemelen in de hogere graad van het goede en ware.  De mens die in de laagste of uiterlijke graad van het goede en ware is, is in een bepaalde vorm van liefde jegens de naaste en dus in een bepaald beeld van de Heer, ofschoon verwijderd.  Hier worden we herinnerd aan het geschreven Woord in Genesis, waar gezegd wordt dat de mens gemaakt werd in het beeld Gods, naar Zijn gelijkenis.  Het beeld wordt gezien in de Engelen van de middelste Hemel en de Engelen van de hoogste Hemel zijn in de gelijkenis van de Heer.  Toen de Heer in de wereld was, kwam Hij in een staat waarin Hij, net als de mens die voor zijn wederverwekking geestelijk ook in een kinderlijke staat oftewel een staat van hervorming is, uit het Goddelijke natuurlijke, uiterlijke goedheden en waarheden kon opnemen.

 

Dat uitwendig leven van de mens is ten aanzien van de Goddelijke waarheden in het duister, dat wil zeggen, dat de mens wat betreft zijn inzicht van geestelijke en hemelse Goddelijke waarheden en wat betreft de wijsheid dienaangaande, welke van het Goddelijk goede is, in het duister is.  De Engelen zijn in het licht dat uit de Heer is, zoals u weet, en dat licht is zowel het Inzicht als de Wijsheid uit de Heer.  Vandaar dat Engelen waarheden en goedheden zijn.

 

Zonder dat licht leeft de mens in een staat die ver verwijderd is van het Goddelijk ware.  Om ons te helpen dit te begrijpen, denken we aan het gewone spraakgebruik van het woord licht, waar het betrekking heeft op het verstand.  De meeste mensen zijn zich daar niet van bewust en redeneren dat het  woord 'licht' slechts als beeldspraak wordt gebruikt.  Zulke mensen zijn niet in enige perceptie van de goedheden en waarheden, zoals de Engelen.  Zij leven niet in het innerlijke en redelijke, maar in het uiterlijke. 

 

We lezen in onze tekst: en hij nam van de stenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw.  Wat duiden de stenen aan?  Het zijn de lagere of natuurlijke waarheden.  Daarom wordt de Heer 'de hoeksteen' genoemd waarop de Kerk gegrondvest is.  Al het Goddelijk ware gaat uit de Heer voort? Onder de hals of het hoofd worden dus, als het ware, natuurlijke waarheden geplaatst, hetgeen uitwendige waarheden zijn.  Deze maken op een algemene wijze verbinding met innerlijke waarheden en ten slotte met geestelijke en hemelse dingen, dus met Goddelijke dingen.  Om u te helpen verstaan hoe dat bij de mens teweeggebracht wordt, hoeft u alleen maar te weten en te geloven dat ons leven van de Heer is, dat het uit Hem ontstaat en dat dat leven het opgenomen Goede en Ware des Heren is.  Zonder dat leven kan niemand leven.  Als dat leven afgesneden zou worden, zou de mensheid vergaan, want er is geen leven buiten de Heer.

 

U kunt inzien dat de mens die in een zodanige staat is, (gemoeds)rust oftewel uitwendige vrede heeft, want in zo'n staat voelt de mens dat zijn begeerten en valsheden als het ware verwijderd zijn, dat zij 'rusten'.  Zowel de begeerten als de valsheden veroorzaken de innerlijke onrust in de mens.  In de eerste jaren van ons leven, wanneer we nog zuigelingen en kleine kinderen zijn, zijn we in een staat van rust.  Dat is ook zo als we geestelijk gezien nog zodanig zijn.  Maar als we geestelijk in de staat van volwassenheid komen, verwijderen we onszelf van die rust, want we zijn niet langer in de staat van de kinderlijke onschuld, dat wil zeggen, wereldse zorgen en bezorgheden gaan ons bezig houden en deze wakkeren onze zelfliefde en liefde van de wereld aan, waaruit tal van valsheden voortkomen.  Er is een vergelijking tussen het natuurlijk leven en het geestelijk leven van de mens die wederverwekt wordt.  Die mens komt tot een nieuw leven.  Hij/zij komt eerst in een staat van (gemoeds)rust en dan in een staat of periode van ongerustheid en gemoedsbewegingen.  Want aan het begin van zijn wedergeboorte houden de boosheden en valsheden zich koest, maar ze komen weldra tevoorschijn en beginnen onrust te veroorzaken, want het boze duivelse gespuis poogt dan het geestelijk leven van die mens te vernietigen.  Maar inwendig heerst er vrede in die mens, omdat zijn einddoel het wederverwekte leven van de engelen is.  Uit die innerlijke vrede heeft hij de kracht en het vermogen om 'als het ware' te strijden tegen de boosheden en valsheden die hem/haar in verleiding brengen.  U weet echter dat het de Heer binnenin die mens is die zegeviert, de boosheden en valsheden in hem/haar overwint en hem/haar zo tot een nieuwe staat van vrede, een hemelse staat, brengt.

Amen.

 

é Keer terug naar het begin.