ÝTerug naar de prekenpagina

 

Preek over het Geestelijk Geloof (Nova Hierosolyma en Haar Hemelse Leer 116)

door ds. Paul Booth

 

Voorlezingen:

-       Jeremia 31: 31-34,

-       Mattheüs 7: 15-24,

-       De Leer van Nova Hierosolyma over het Geloof 5.

 

 

Geloven de dingen die het Woord leert, of die de Leer der Kerk leert, en niet dienvolgens leven, schijnt alsof het Geloof is, en sommigen menen ook dat zij door hetzelve worden gezaligd; maar door dat geloof-alleen wordt niemand gezaligd, want het is een overredend geloof.

(Nova Hierosolyma en Haar Hemelse Leer 116)

 

Er zijn twee dingen die bij de mens de Nieuwe Kerk maken geloof en naastenliefde en die twee moeten in hem éen worden. Er is langdurig over geredetwist welk van de twee op de eerste plaats komt. Omdat sommigen menen dat het ware de voorrang heeft boven het goede zeggen zij dat het geloof op de eerste plaats komt. Anderen zeggen dat het goede op de eerste plaats komt en dientengevolge zeggen ze dat de naastenliefde op de eerste plaats komt. De redenering is ongeveer als volgt: spoedig na de geboorte begint een mens te denken, te praten en te begrijpen. Door middel van wat hij gaat weten, kan de mens leren verstaan wat de waarheid is. Na verloop van tijd leert hij/zij verstaan wat het goede is. Zo'n mens zegt dat geloof het eerste is en naastenliefde het tweede.

 

Het probleem bij deze gedachtengang is dat de mens dan niet begrijpt dat geloof geen geloof is, als het niet verbonden is met naastenliefde en dat omgekeerd naastenliefde geen naastenliefde is, als ze niet verbonden is met geloof. Hieruit kan de mens inzien dat zij niet bij of in de mens kunnen zijn, tenzij ze éen zijn.

 

Met dit in gedachten vragen wij ons af wat het eerst komt, wat de eerstgeborene is - wat het eerstgeboorterecht heeft. Om ons te helpen vaststellen wat de eerste is - het geloof of de naastenliefde - wordt ter vergelijking een toelichting gegeven. Als er een tempel gebouwd wordt, wordt wat de tijd betreft in de eerste plaats het bouwwerk zelf opgericht en daarna worden het altaar en de preekstoel er ingezet. Met betrekking tot het doel is de eredienst van de Heer het eerste. Bij het bouwen van een huis, is het eerste dat in de tijd gebeurt de bouw en inrichting ervan, maar wat het eerste is met betrekking tot het doel is dat de eigenaars er prettig in kunnen wonen. Hetzelfde is het geval bij een tuin of een akker. Eerst maken we de grond geschikt, dan zaaien en planten we wat we gaan gebruiken. Maar wat het doel betreft is het eerste natuurlijk het genieten van de vruchten. Waaraan besteedt men bij iets in de eerste plaats aandacht? Dat is welk nut het heeft; dat houden we in het oog bij het bouwen of verbouwen. Het ware des geloofs is dan ook het eerste in de tijd, maar het goede der naastenliefde is het eerste met betrekking tot het einddoel. Daarom komt de naastenliefde op de eerste plaats en is ze in feite in het gemoed de eerstgeborene. We kunnen zeggen dat geloof het bouwen en voorbereiden is voor het nut dat naastenliefde heet en als die beide - het geloof en de naastenliefde - in ons met elkaar verbonden zijn, maken ze de Kerk in ons, de Ware Kerk.

 

Dat is echter niet wat de hedendaagse kerken eronder verstaan. Volgens hun leer is geloof niets anders dan een verstandelijke veronderstelling dat een dogma waar is, omdat het in hun kerk geleerd wordt. Dikwijls begrijpen de mensen de dogma's van hun kerk niet. Geloof moet in een mens om geloof te zijn, geestelijk zijn, omdat geloof uit het ware is. Alle Christenen behoren te weten dat de Heer het ware is en dat het ware uit de Heer is. Geloof is de erkentenis dat iets zo is, omdat het waar is. We zouden allen ook moeten weten wat naastenliefde is en dat ze uit de liefde is en dat de Heer Liefde is en dat ze uit Hem naar ons voortgaat. Het gevolg is dat de mens het goede als dierbaar beschouwt en liefheeft, en dat hij gelooft dat dit waar is.

 

Het echte geloof is dat we denken en zeggen dat iets waar is en dat we het daarom geloven; en niet dat we geloven dat iets waar is hoewel we het niet begrijpen, maar dat ons geleerd is erin te geloven. Er is gezegd dat het ware geloof geestelijk is. Maar er zijn mysteries in het Woord waarvan de priesters of dominees aan hun gemeenten zeggen dat men ze niet kan weten maar dat ze toch gelovig aanvaard moeten worden. Die mysteries zijn de geestelijke waarheden die 'als het ware' verborgen liggen in de letterlijke zin van het Woord. Het natuurlijk ware of de zin van de letter van het Woord schijnt gemakkelijk te begrijpen, maar de geestelijke zin is niet zo gemakkelijk te verstaan, al kan dat wel, net als bij natuurlijke waarheden het geval is. U vraagt zich misschien af: hoe dan? Ieder mens heeft een verstand en kan door de verheffing van dat verstand in het licht van de Hemel de geestelijke dingen die de waarheden des geloofs zijn, zien. Dat is het licht des Hemels, het geestelijk licht, dat die mysteries aan ons onthult. Het licht betekent de Goddelijke Waarheden van het Woord en dus de waarheden des geloofs. Als Christenen weten we vanzelfsprekend dat de Heer het Woord is. Het ware vloeit in uit de Goddelijke Wijsheid. Het goede vloeit in uit de Goddelijke Liefde. Het wezen van het licht van de Hemel is de Goddelijke Wijsheid en het wezen van de warmte van de Hemel is de Goddelijke Liefde. We kunnen allen deze geestelijke dingen lezen of horen en ze leren, net zoals dat bij natuurlijke dingen het geval is. We behoeven onze gedachten slechts te verheffen en op te houden voortdurend met onszelf en de wereldse dingen bezig te zijn. We behoeven ons alleen maar tot de Heer te keren.

 

Hebben wij het lief naar het ware te leven en het goede te doen, dat wil zeggen, te leven in waarheidlievendheid en liefde voor wat goed is? Leven wij volgens de geboden die ons in het Woord gegeven zijn? Als dat zo is, hebben we een aandoening van het ware. Dan willen we het ware omdat het waar is. Dat vormt het Geestelijke Zelf in ons, dat geheel afgescheiden is van ons natuurlijke. Vanzelfsprekend kan de mens ook willen wat waar is, wanneer hij niet in het licht des Hemels denkt, maar dan wil hij het ware niet omdat het waar is, maar ter wille van zijn eigen eer, goede naam of gewin.

 

U ziet ongetwijfeld in dat de geestelijke aandoening van het ware een inwendige erkenning van het ware is. Aangezien dit zo is, is het onbegrijpelijk dat we iets zouden geloven waarvan we niet zien of het wel waar is. We behoren onszelf af te vragen of we zien en verstaan wat we menen het ware te zijn. Zien betekent verstaan uit de aandoening ervan en om te kunnen verstaan moet het verstand verheven worden in het geestelijk licht om daar een algemeen idee van de zaak te krijgen. Waar we hier over spreken, is een geestelijke idee. Dat is een idee zonder ruimte en tijd en dus een abstracte idee.

 

Er is veel dat we weten, waarover we nadenken en dat we menen te begrijpen. Maar niet alles daarvan stemt overeen met onze liefden. Wat daar niet mee overeenstemt, zal verwijderd worden als we in de geestelijke wereld zijn. Want het Latijnse Testament heeft ons geleerd dat het onze liefde en wat van onze liefde is, dat na de dood van ons aardse lichaam in het geestelijk lichaam blijft.

 

Geloven betekent vertrouwen hebben. Dat noemt men 'het zaligmakend geloof'. Maar dat kan een louter natuurlijk of historisch geloof zijn en niet een geestelijk geloof, als dat vertrouwen niet geestelijk maar natuurlijk is. Wanneer we geloven wat het Woord en de leer van de Kerk onderwijzen, maar er niet naar leven, is ons geloof een schijnbaar geloof. Toch geloven velen dat zij vanwege dat geloof behouden zijn. Maar niemand wordt verlost door geloof alleen, want dat is niets anders dan een overredend geloof. De reden waarom dat geloof de mens niet kan verlossen, is dat de mens dan het Woord en de leer der Kerk wel gelooft en er mogelijk naar leeft, maar slechts ter wille van eer, gewin en de reputatie van geleerdheid, dat die zijn doeleinden zijn. In dat geval heeft de mens de Heer niet lief, en ziet hij niet op naar Hem, maar hij heeft zichzelf en de dingen van de wereld lief. We lezen in het Woord over hen die in zo'n overredend geloof zijn in Mattheüs: Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Heer, Heer! hebben wij niet in Uw Naam geprofeteerd, en in Uw Naam duivelen uitgeworpen, en in Uw Naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; &…; gij, die de ongerechtigheid werkt (7: 22, 23). En in Lucas: Alsdan zult gij beginnen te zeggen: Wij hebben in Uw tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en Gij hebt in onze straten geleerd. En Hij zal zeggen: Ik zeg u, Ik ken u niet, van waar gij zijt (13: 26, 27).

 

Geloof, de inwendige erkenning van het ware, bestaat daarom alleen in hem die in naastenliefde is. Als de mens door middel van het geloof in de aandoening van het goede of van het nut is, omdat zijn einddoel de erkenning van het ware is, is hij/zij in naastenliefde, hetgeen hetzelfde is als handelen uit liefde door middel van geloof. Beschouw dit vanuit de uitwerking ervan op de mens. De wil brengt niets voort door middel van het verstand, als zij niet in verbinding met elkaar handelen. Opdat iets tot ontstaan kan komen, moeten geloof en naastenliefde daarom in de mens met elkaar verbonden zijn.

 

We hebben gezegd dat naastenliefde en geloof een eenheid vormen. Zo vormen in de mens wil en verstand een eenheid, net zoals het denken en de aandoening. Geloof is in zijn wezen geestelijk, maar in zijn vorm natuurlijk. In de mens wordt het geestelijk natuurlijk, dat wil zeggen, het geestelijke wordt opgenomen in het natuurlijke, opdat het in hem moge zijn als het zijne. Dit betekent dat het gemoed geopend wordt en het licht des Hemels door het inwendig gemoed invloeit in het natuurlijk gemoed en dit verlicht. Dit wordt in de mens het geestelijk natuurlijke genoemd. Ziet u, geloof moet binnenin ons zijn, het moet geestelijk zijn, anders kan het ons niet verlossen en blijft het in ons uitwendige, in ons natuurlijke, en is het slechts weten.

 

We hebben over geloof gesproken, maar waarin geloven we? In een onzichtbare God of in een zichtbare? Geloof in een onzichtbare God is een blind geloof, omdat het menselijk gemoed dan God niet ziet. Het licht van dit geloof is een werelds licht, een vals licht. Het is niet het Hemels licht. Als dat in ons schijnt, vormt het in ons een geestelijk natuurlijk verstand. Het Geloof in een zichtbare God is het Geloof in de Heer God Zaligmaker, die God en Mens werd. Die God kan genaderd worden en over Hem kunnen we nadenken. De Heer verschijnt aan hen die Hem liefhebben en die leven in het Geloof uit en in Hem. Hij nadert hen in zoverre dat ze Zijn geboden kennen en gehoorzamen door boosheden te schuwen als zonden en te doen wat goed is. Geloof en naastenliefde zijn hier met elkaar verbonden en werken daardoor samen. Zo is de mens in zijn nut. De woorden van de Heer in Johannes waar we lezen: Die Mijn geboden heeft, en dezelve bewaart, die is het, die Mij liefheeft; en die Mij liefheeft, zal van Mijn Vader geliefd worden; en Ik zal hem liefhebben, en Ik zal Mijzelven aan hem openbaren.&…; en Wij zullen tot hem komen, en zullen woning bij hem maken (14: 21,23) bevestigen dit.

 

Zij die de geboden kennen en ze gehoorzamen hebben de Heer lief en doordat ze Hem liefhebben, heeft de Vader die onzichtbaar en het Goddelijk Goede des Heren is, hen lief. De Heer die Zich geopenbaard heeft, die zichtbaar is, die het Goddelijk Ware is, heeft hen ook lief en zal Zich aan hen tonen. En de Vader en de Zoon, het goede en het ware, zullen tot hen komen als het geloof of het ware en zullen binnenin hen wonen in het leven der naastenliefde als het goede. Dit leven is uit de Heer en in de Heer.

 

Alles bij elkaar genomen betekent het geloof dat hij die goed leeft en op de juiste wijze gelooft, door de Heer behouden wordt. Goed leven behoort tot de naastenliefde en op de juiste wijze geloven behoort tot het geloof. Het Woord schrijft ons het geloof en de naastenliefde voor en gebiedt ze ons ook. Dat betekent dat de mens zich het eeuwige leven kan verwerven door de macht die hem door de Heer gegeven is en dat hij mag verwachten verlost te worden als hij die macht gebruikt. Anders zou hij als een mens zijn die met neerhangende armen wacht tot de Heer hem zal veranderen zodat hij geschikt is om in de Hemel te wonen. Laat ons daarom die macht gebruiken en erop gericht zijn te doen wat goed is. De Heer heeft ons het vermogen gegeven om het goede te willen en het ware te verstaan. Hij heeft ons het Woord geopenbaard. Wij kunnen de keuze maken Zijn geboden te gehoorzamen. Onze natuurlijke naastenliefde kan tot geestelijke naastenliefde worden, ons natuurlijk geloof kan tot geestelijk geloof worden.

 

In plaats van onze dode naastenliefde en ons dode geloof wil de Heer ons levende naastenliefde en levend geloof geven, en zo het eeuwige leven. Ons uitwendige kan verbonden worden met ons inwendige. Als we uit ons inwendige willen wat boos is, handelen we vanuit de hel en niet vanuit de Hemel, ofschoon we in ons uitwendige mogelijk doen wat goed is. Het tegenovergestelde is dat de inwendige mens wil wat goed is en de uitwendige mens doet wat goed is. Zo worden ze éen. Dan handelt God door middel van de mens en handelt de mens vanuit God en dat is des Heren Nieuwe Kerk bij en in ons.

Amen.

 

é Keer terug naar het begin.