Preek over hoe de Heer te vinden en te
aanbidden
door ds.
Voorlezingen:
-
Numeri 24: 1,
2, 15-19,
-
Micha 5: 1-7,
-
Mattheüs 2:
1-11,
-
Hemelse
Verborgenheden 9293
Reist heen, en onderzoekt naarstiglijk
naar dat Kindeken &…; En zij zijn heengereisd; en ziet, de ster, die zij in
het oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de
plaats, waar het Kindeken was&…; En in het huis gekomen zijnde, vonden zij
het Kindeken met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve
aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken;
goud, en wierook, en mirre.
(Mattheüs
2: 8, 9, 11)
De geboorte van Jezus Christus de Heer
in de wereld was geschied zoals ze in de Schrift voorzegd was. Maar
niemand was Hem uit zichzelf komen aanbidden. Als er de engelen niet
geweest waren, zouden de herders niet gekomen zijn om de pasgeboren Zoon van
God te zien. Simeon, die rechtvaardig en godvrezend was, en die de
vertroosting Israëls verwachtte, wist desondanks niet dat de Heer Jezus
Christus op aarde gekomen was. Pas toen zijn ogen geopend werden, toen
hij het Kindje zag, wist hij dat de Verlossing van de Heer nabij was en loofde
hij God. Anna, de profetes, was er zich ook niet bewust van dat de
Verlosser in de wereld gekomen was. Ze dankte God pas toen ze het Kindje
zag. Niemand wist dat de geboorte van Jezus had plaatsgevonden.
Maar wij weten uit het Woord van het Oude Testament dat Hij komen zou en zelfs
waar Hij geboren zou worden. Er waren enkelen die niet van de
Israëlitische Kerk waren, die deze wetenschap ook bezaten. In onze tekst
wordt ons geleerd dat de enigen die er zich van bewust waren dat Jezus geboren
was en dat de profetie van de Komst van de Heer vervuld was, de wijzen uit het
oosten waren. Zij kwamen, als uit zichzelf, om Hem te aanbidden.
Waarom waren zij de enigen die wisten dat Hij geboren was en waarom gingen zij
op zoek naar Hem? De Israëlitische Kerk bezat het Woord. Van al
haar priesters, Farizeeën en Rabbi's wist echter niet éen dat de Heer op aarde
gekomen was. Als wij die weten wat we uit het Woord van het Goddelijk
Menselijke, het Derde Testament, geleerd hebben, in de tijd teruggezonden
zouden worden naar de periode vlak voor Zijn geboorte, zouden wij dan geweten
hebben wanneer Hij zou komen en zouden wij dan, net als de wijzen, op zoek
gegaan zijn om Hem te aanbidden? We kunnen die vraag alleen bevestigend
beantwoorden als we de wetenschap van de wijzen uit het oosten hebben.
Die wijzen leefden in de tijd dat de
Kerk in een uitbeeldende staat was. De mensheid was van de geestelijke
staat in de natuurlijke of uitwendige staat vervallen. Er was geen
verbinding met de Heer, zoals een mens heden ten dage heeft als des Heren
Nieuwe Kerk binnenin hem is. De mensheid had geen hemelse of geestelijke
verbinding met de Hemel of de Heer, zoals het geval was met degenen die tot de
Oudste Kerk behoorden. Die was verloren gegaan voor haar. De Joodse
Kerk had het Woord van het Oude Testament. Het Nieuwe Testament was nog
niet geschreven en ook het Derde Testament niet. Toch zochten zij de Heer
die op aarde gekomen was om er te leven. Hoe wisten zij dat Hij gekomen
was? Welke wetenschap hadden zij die de geboorte van Jezus Christus aan
hen geopenbaard had? Als we dat weten, zullen we ook weten of we op de
hoogte geweest zouden zijn van Zijn Komst, en of we net als de wijzen, op zoek
gegaan zouden zijn naar het Kindeke Jezus. De wetenschap van de wijzen
was de wetenschap van de overeenstemmingen en uitbeeldingen. Daardoor
wisten ze Hemelse dingen en waren ze in de wetenschap van het goede en
ware. Bezitten wij heden ten dage die wetenschap? Ze is ons
geopenbaard in het Woord van het Goddelijk Menselijke. Het merendeel van
de mensen die in deze wereld leven, verwerpt de idee dat het Woord een
inwendige zin heeft. Sommigen die dat wel geloven, zijn van mening dat de
mens die inwendige zin pas kan kennen als hij in de geestelijke wereld gekomen
is. Maar de leringen van het Woord zijn vervat in overeenstemmende en uitbeeldende
dingen. De mens kan tot een verstand komen van Hemelse en geestelijke
waarheden. Als hij die gehoorzaamt, ontvangt hij uit de Heer het goede of
de liefde. Het Woord leert dat we, tenzij we weten wat de
overeenstemmingen zijn, niet met de Hemel of de Heer verbonden zullen
zijn. Want alleen door overeenstemmingen is er verbinding met het
geestelijke en door middel van de overeenstemmende dingen wordt het geestelijke
verbonden met het natuurlijke. Laat ons bidden dat we het verlangen mogen
hebben om de Heer te kennen en de geestelijke waarheden betreffende Hem en Zijn
Kerk te verstaan, en dat we gehoorzaam mogen zijn aan Zijn geboden.
Toen Jezus geboren werd begon het
Goddelijk Goede in Hem het werk van de verheerlijking. De Heer begon Zijn
Natuurlijke te verenigen met het Goddelijke. Dit werk ontstond in Zijn
Hemels en Geestelijk Menselijke. In het Natuurlijke van de Heer moest het
ware verbonden worden met het goede. Om effectief te kunnen zijn moet
iedere verbinding, welke dan ook, uit het Goddelijke in het Hemelse invloeien,
dan in het Geestelijke en ten slotte in het Natuurlijke. Het doel van die
invloed van het Goddelijke was het Menselijke dat de Heer gedurende Zijn leven
op aarde aannam, terwijl Hij tegelijkertijd het menselijke van de moeder
aflegde, te verbinden met het Goddelijke binnenin Hem en dientengevolge wordt
de mens door zijn wederverwekking met de Heer verbonden. Dit werk begon
in het menselijke dat de Heer aangenomen had toen Hij in de wereld kwam.
Op die wijze werd de Kerk in de mens eerst gevormd in het Menselijke van de
Heer. Er kon pas verbinding worden gevormd toen het echte ware dat uit
het goede is door het Kindeke Jezus werd opgenomen. Die staat werd
bereikt toen vanbinnen het dieper inzicht (de doorvatting) van het Goddelijk
Menselijke ontstond. Die Goddelijke Liefde kwam de natuurlijke staat in,
die een uitbeeldende staat was. Het was de staat van de Israëlitische
Kerk waarin de Heer toen gekomen was. Deze woorden: Toen nu Jezus
geboren was te Bethlehem, gelegen in Judéa, in de dagen van de koning Heródes,
ziet, enige wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen (Mattheüs 2:
1).
Als de overeenstemmingen en
uitbeeldingen bekend zijn, onthullen zij dingen over het werk der
wederverwekking van de Heer en over Zijn verheerlijking. De wijzen moeten
er zich bewust van geweest zijn dat de Heer geboren was. Ze vroegen waar
Hij geboren was, omdat ze Hem wilden aanbidden en verbonden wilden worden met
de Heer en de Hemel. Daarom vroegen ze: Waar is de geboren Koning der
Joden? (Mattheüs 2: 2)
Een koning betekent het echte ware uit
het goede en de joden beelden de Hemelse Kerk uit (vergelijk Hemelse
Verborgenheden 96). De vraag die gesteld wordt, is: 'Waar zijn de
waarheden van de Hemelse Kerk?' We begrijpen dat het Menselijke van de
Heer volgens de orde in het Hemelse, in het Geestelijke en in het Natuurlijke
kwam. De Heer werd geboren als een Geestelijk Mens, maar het menselijke
dat Hij aannam was natuurlijk. Alleen het Goddelijk Menselijke van de
Heer heeft de echte aandoening om te verstaan, dat in de mens een geweten tot
ontwikkeling kan brengen, want het goede en ware leven in het goede des geloofs
als het verstand acht geeft op de wetenschap van het goede en ware, die
voortgaan uit het hemelse en geestelijke. Als die wetenschap er bij de
mens is, komt hij tot nederigheid en kan hij in de vrijheid uit deze
wetenschap, die ingeplant is in zijn gemoed, de Heer aanbidden. De
verbinding is aldus door de liefde of het hemels goede en is van de naastenliefde
of het geestelijk ware. Voor de mens deze wetenschap kan kennen en
erkennen moet er het leven des geloofs in hem zijn, anders is hij niet in de
echte aanbidding en heeft hij geen ware leer. Zijn wij net als de wijzen
en hebben wij de wetenschap van de waarheden en goedheden door middel van
overeenstemmingen en uitbeeldingen? Zijn wij in het goede des geloofs en
in de liefde uit de Heer? Verstaan wij de dingen van de inwendige zin van
het Woord, luisteren we ernaar? Met andere woorden, hebben wij Zijn
ster in het Oosten gezien, en zijn wij gekomen om Hem te aanbidden (Mattheüs
2: 2)?
Als we gevraagd hebben waar de Heer is
en Zijn goedheden opgenomen hebben en Zijn waarheden geloofd en eruit geleefd
hebben, weten we dat het echte Ware uit het Goddelijk Goede is en dat het
voortschrijdt als de Leer en zich lerende verbindt met het redelijke dat we uit
de Heer ontvangen hebben. Laat ons hierover het volgende in het Woord
lezen: En hen naar Bethlehem zendende, zeide: Reist heen, en onderzoekt
naarstiglijk naar dat Kindeken (Mattheüs 2: 8).
Dit betekent in de hoogste zin dat het
Wezenlijke van het Goddelijk Menselijke van de Heer in het Natuurlijk
Zintuigelijke komt en vandaar in het lichamelijk leven en zo tot de
wederverwekking leidt. Het betekent te leven uit het Goddelijk Goede dat
ontvangen is in het Ware. Het ware is de vorm of existere en het goede
het wezen of esse. Dit resulteerde in de vereniging van het Goddelijk
Menselijke van de Heer met het Goddelijke, dus in Zijn verheerlijking. Op
een andere wijze verklaard: het echte ware uit het goede vormde de Nieuwe Kerk
in het Natuurlijke van de Heer en vormt dientengevolge de Kerk in de mens die
in het geestelijk goede en ware is.
Toen de wijzen vernamen waar de Heer
geboren was, gehoorzaamden ze het gebod van de koning om heen te reizen en
dat Kindeken naarstiglijk te onderzoeken. Als we tot het besef
gekomen zijn dat het met het goede verbonden ware ertoe leidt dat we uit de
Heer een nieuwe wil en een nieuw verstand ontvangen en dat de Nieuwe Kerk in
ons gesticht wordt, moeten we ook het Goddelijk Goede, dat wil zeggen, de Heer
Jezus gaan zoeken. In deze staat zijn het verstand van het goede en de
aandoening ervan nog niet geestelijk bij de mens, ofschoon ze door waarheden uit
het geestelijk goede in het gemoed komen. Met andere woorden, de mens
moet volgens de Goddelijke Orde de wetenschap van de ware en goede dingen
opnemen, en niet uit wat van hemzelf is; hij kan uit het zijne niet tot het
geestelijk verstand komen, de Heer moet hem leiden. Zijn vertrouwen moet
in de Heer zijn en niet in zichzelf. Hij moet niet alleen waarheden
weten, maar hij moet ze ook liefhebben, en hij moet dus uit de Heer leven,
opdat hij in het uit de Heer opgenomen goede des geloofs zij. Hij moet
leven in Zijn Liefde. Als de mens uit die Liefde leeft, leert hij geloof
te hebben en ziet hij de verlossing van de Heer geopenbaard in de echte leer
van de Nieuwe Kerk, zoals ze gevormd wordt in een nieuw redelijke uit de
Heer. Dat is de betekenis van de woorden: En zij, de koning gehoord
hebbende, zijn heengereisd; en ziet, de ster, die zij in het oosten gezien
hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats, waar het
Kindeken was (Mattheüs 2: 9).
U kunt zich de verrukking en de vreugde
indenken die de wijzen voelden toen ze 'de ster zagen' die in het oosten boven
de plaats stond waar het Kindeke Jezus was. Zij verheugden zich met
zeer grote vreugde (zie Mattheüs 2: 10). Wij hebben diezelfde
ervaring als we in de wetenschap komen van het Goddelijk geestelijk ware.
En omdat het het ware is en omdat we geleerd hebben dat het het echte ware is,
willen we Zijn liefde beantwoorden. Dat is vanuit een inwendige
verrukking die uit het hart en de ziel is en ze brengt ons ertoe de Heer te gaan
zoeken, opdat Hij in ons leven onze wederverwekking kan bewerkstelligen.
Laat ons dus voortgaan met ons onderzoek om de Heer te kennen, Zijn liefde voor
ons te kennen en Zijn verlossing te zien. Laat ons Zijn liefde
beantwoorden. We lezen verder: En in het huis gekomen zijnde, vonden
zij het Kindeken met Maria, Zijn moeder, en nedervallende hebben zij Hetzelve
aangebeden; en hun schatten opengedaan hebbende, brachten zij Hem geschenken;
goud, en wierook, en mirre (Mattheüs 2: 11).
In de binnenste zin wordt ons hier
geleerd dat de Heer in Zijn natuurlijk gemoed een dieper inzicht kreeg in Zijn
Menselijke en dat er in Zijn menselijke dat Hij aangenomen had, een aandoening
of liefde was. Hij doorvatte dat dit ware uit het geestelijke kwam en
niet uit het natuurlijke. Er was de nederigheid van Zijn hart, want het
Goddelijk Menselijke van de Heer nam het geestelijk goede binnenin zich
op. Er was de erkenning van het Goddelijk Goede, de Vader, Zijn ziel, en
op die wijze was er verbinding tussen die twee.
Men kan dit alles uit deze woorden
weten vanwege hun overeenstemmende dingen. Het huis betekent het
natuurlijk of redelijk gemoed. In het huis komen betekent naderen met het
verstand, dus een aandoening, een liefde hebben om het ware te leren en te verstaan,
wat betekent de leer te zien en zo vanbinnen een Nieuwe Kerk tot ontwikkeling
te brengen. Het Kindeke duidt het begin van die Nieuwe Kerk aan.
Deze Nieuwe Kerk was bekleed met het menselijke van de mensheid. Denk
eraan, de Heer kwam op aarde toen de Kerk bij de mens nog een uitbeeldende Kerk
was. Maria beeldde het menselijke van de mens, dat de Heer had
aangenomen, uit. Toen het Goddelijk Menselijke een dieper inzicht kreeg,
nam de Heer in Zijn hart het goede aan uit het Goddelijke binnenin Hem.
Hij nam in Zijn hart het goede uit het Goddelijke op dat binnenin Hem
was. We zien dit uitgebeeld in het neervallen van de wijzen voor het
Kindeke en hun aanbidding van Hem. In de aanbidding is er verbinding met
het ware en gemeenschap ermede.
'Zij deden hun schatten open'.
Hun schatten zijn het Woord en die opendoen betekent de verbinding en de
gemeenschap. Met het brengen van de gaven aanbaden zij de Heer.
Zij, of het Goddelijk Menselijke van de Heer, werden daardoor door de liefde
verbonden met het Goddelijke. Hij beantwoordde daarmede, de uit het
Goddelijke opgenomen liefde, want de geschenken die men geeft, zijn tekenen van
genegenheid die vriendschappen tussen de mensen doen ontstaan en hier
verbinding met de Heer. De hoedanigheid van de geschenken bepalen de
hoedanigheid en de diepgaandheid van de verbinding. De door de wijzen
gegeven geschenken, het goud, de wierook en de mirre, betekenen, in de hoogste
zin, de vereniging van het Goddelijke met het Menselijke en de verheerlijking
van het Menselijke. Een zodanige hemelse, geestelijke en natuurlijke
liefde werd het Kindeke Jezus zonder enige beperking geschonken.
De wijzen wisten dat het de gewoonte
was koningen en prinsen geschenken te geven. Het betekende verbinding en
vriendschap. Wat het Kindeke nodig had was de Eenwording van het
Goddelijke met het Menselijke. Die verbinding is nodig voor alle
mensen. Want 'goud, wierook en mirre' betekenen de hemelse liefde en het
hemels goede, de geestelijke liefde en het geestelijk goede, en het uitwendig
of natuurlijk ware uit dat goede. Het uitwendige, natuurlijke van de
mensen leefde niet uit het hemels en geestelijk goede en ware, maar uit de
zelfliefde en de begeerte naar wereldse genoegens. De Heer wil ons die
gaven schenken, maar als we ze niet aannemen, blijven we gescheiden van Hem en
leiden we geen leven dat geschikt is voor de Hemel. Als we in ons
zinnelijk of lichamelijk leven blijven, keren we ons van de Heer af. Maar
we hoeven ons niet van Hem af te keren, want de Heer aanvaardde die drie
geschenken als klein Kind, net als iedere zuigeling doet, en Zijn hele aardse
leven lang had Hij het verlangen ze terug te geven aan Zijn Vader. Aan de
Heer werden de geschenken, goud, wierook en mirre, gegeven. Hij ontving
ze door middel van de aanbidding uit liefde en naastenliefde. We weten
dat alle dingen die door de mens met de zintuigen worden doorvat,
geestelijke dingen betekenen, dat wil zeggen, het goede der liefde en
het ware des geloofs (vergelijk Hemelse Verborgenheden 10199). Die twee
vormen het verstand en de wil van de mens. De inwendige aandoeningen die
eigen zijn aan het verstand en de wil, vloeien in uit de Heer, want het
natuurlijke vloeit niet in in het geestelijke. De mens kan door middel
van zijn zintuigen, niets over de Heer leren, als er geen inwendige aandoening
is die uit het geestelijke invloeit in het verstand en de wil.
Wat voor geschenken geven wij de
Heer? Laten wij bidden dat we gaven brengen uit een invloed die een nieuw
redelijke in ons gevormd heeft, dat wil zeggen, dat we verbonden zijn met het
geestelijk ware en goede en zo uit de Heer inwendige aandoeningen opnemen en in
het goede des geloofs kunnen zijn. Het proces dat begon met de
verheerlijking van de Heer, kan nu onze wederverwekking bewerkstelligen,
terwijl we de gaven van goud, wierook en mirre aan de Heer schenken.
Amen