Terug naar de zelfstudiepagina

 

Zelfstudie les 4

Het onderjukken van de hellen door de Heer en Zijn verheerlijking van Zijn Menselijke (Deel 2)

 

Het is ook bekend dat de Heer in de wereld kwam omdat de wereld, dat wil zeggen, de mensheid niet langer volgens de Goddelijke Orde, in feite de Geboden leefde en zou te gronde gaan tenzij de Heer kwam. In feite kunnen we lezen waar de Heer zegt dat het Woord geen uitwerking had. Iedere student van het Woord van God zou zelfs weten dat niet alleen de aarde maar ook de Hemel niet in orde was want, in de letterlijke zin, is Lucifer niet uit de Hemel gevallen? Nu met de Komst van de Heer heeft Hij met de hellen gevochten, dat nogmaals iedereen bestookte bij zijn geboorte en bij zijn vertrek, bij zijn dood. Het Woord spreekt duidelijk over de verheerlijking van de Heer en dat hij de geboden volmaakt naleefde. Met andere woorden, Hij is de Gerechtigheid Zelf geworden, en derhalve heeft Hij de mensheid verlost.

 

[2] Dat de Heer in de wereld is gekomen, om alle dingen in de hemelen en dan daaruit in de landen tot de orde terug te brengen, en dat dit is gedaan door gevechten tegen de hellen, welke toen bestookten elk mens komende in de wereld en uitgaande vanuit de wereld,  en dat Hij daardoor Gerechtigheid is geworden, en de mensen heeft gezaligd, die zonder dat niet zouden hebben kunnen gezaligd worden, is in vele plaatsen bij de Profeten voorzegd, waarvan er slechts enige zullen worden aangevoerd.

 

Het Woord bevestigt dit. We lezen:

[2] Bij Jesaja: Wie is Deze Die komt vanuit Edom, besprenkeld van klederen vanuit Bozra: Deze eerwaardig in Zijn gewaad voortredend in de veelheid Zijner sterkte: Ik, Die spreek in Gerechtigheid, groot om te zaligen.

 

Wat door Edom wordt bedoeld is dat de Heer als de Waarheid komt, en als zodanig het menselijke wezen is. (De Waarheid, dat wil zeggen, het Woord, is vlees geworden, dat wil zeggen, menselijk.) Dat is wat menselijk zijn is, maar omdat er hier over het menselijke van de Heer wordt gesproken, is er ook oneindige kracht en macht. In feite heeft het betrekking op Zijn liefde of op de Goddelijke goedheid vanwaar de waarheid komt.

 

Klederen zijn wat er van buiten is, of dat wat binnenin is bedekt. We beginnen te begrijpen dat wat er bedoeld wordt is het natuurlijk menselijke van de Heer dat Hij bij Zijn komst op aarde aannam. Vanzelfsprekend, betekent dit het uitwendige of het natuurlijke van de mens, het is de natuurlijke staat van de mens waarin hij was gevallen.

 

Met dat zijn klederen geverfd of bevlekt zijn door de wijnvaten van Bozra  heeft betrekking op bevlekt worden door de vervalsing van de waarheden, niet door de wijnstokken of de druiven van Bozra, want betekent niet wijn of de wijnstok in het Woord de waarheden en in de tegengestelde zin de valsheden? En heeft de mens niet de waarheid gedood, door die te vervalsen? Welnu, wanneer u zich realiseert wat er met de waarheden van God gebeurt als ze vervalst zijn, begint u ook te begrijpen dat wat hiernaar verwezen wordt, Zijn waarheden aangaat. Aldus komt het Goede en het Ware naar de wereld en is vlees geworden dat Hij, zoals iedereen, door boosheden en valsheden kan worden aangevallen. We weten natuurlijk dat het de Heer Zelf is die komt (de Heer kan niet verdeeld worden) en dat Hij alle sterkte en macht heeft te verlossen. En dat Hij het glorierijk gewaad aandoet, welke Zijn Natuurlijk Menselijke is die Goddelijk wordt.

 

[2] Vervolg. Waarom rood aan Uw gewaad, en Uw klederen als van een die in de wijnpers treedt?

 

Er wordt hier een vraag gesteld en een Christen weet dat de klederen van de Heer rood zijn van de strijd tegen de hellen. Dat zijn de gevechten die de Heer gestreden heeft om de mens te verlossen. Dus is het niet moeilijk te begrijpen dat hier iets geestelijks bedoeld wordt, want druiven in een wijnvat of pers in toorn betreden heeft geen zin met betrekking tot Zijn komst om de mensheid te verlossen. Maar zie de wijngaard als zijnde de Kerk en u ziet natuurlijk dat de Heer met de Kerk geweest is in Zijn goedheid en Zijn waarheid. Nu vraagt u zich of uzelf de boosheden en valsheden binnenin u heeft vernietigd en overwonnen of het de Heer is die dat doet? Dus wie is het dan die de overwinning zaligt? Is het niet de Heer?

 

[2] Vervolg. De wijnpers heb Ik alleen getreden, en van het volk geen man (vir) met Mij: deswege heb Ik hen getreden in Mijn toorn, en hen getrapt in Mijn ontsteking; vandaar is hun overwinning gespat over Mijn klederen; want de dag der wraak in Mijn hart, en het jaar Mijner verlosten is gekomen. &; nederdalen deed Ik ter aarde hun overwinning.

 

Wanneer in het Woord over een 'dag' gesproken wordt, dan weet u dat een staat wordt bedoeld. Wat is de staat dat door deze gebeurtenis wordt bedoeld de dag dat de Heer alleen tegen de boosheden en de valsheden heeft gestreden? Is het niet de staat van verdoemenis?

 

In het Woord ziet men dat toorn en wraak soms aan God wordt toegeschreven en dat Hij die in de hel verwerpt. Toch is het hen die boos zijn, die tegen de Heer wraak uitblazen, is het niet? Per slot van rekening, hebben ze door hun leven van boosheid zichzelf verdoemd.

 

Dus door middel van de verlossing van de mens door de Heer zien we dat men gerechtvaardigd en bevrijd wordt. Een rechtvaardiging- is van het boze, en de andere -bevrijding- is van valsheden. We weten dus dat de Heer de Verlosser is omdat Hij het menselijke aannam en door Zijn eigen macht verlossing voor ons heeft bekocht.

 

[2] Vervolg. Hij heeft gezegd: zie, Mijn volk die, zonen; derhalve is Hij hun geworden tot Heiland, om Zijn Liefde, en om Zijn Goedertierenheid, heeft Hij hen verlost (Jesaja LXIII: 2 tot 9)

 

Er staat dat Hij verlost om Zijn liefde en goedertierenheid. Wat is die liefde?  Is het niet Zijn leven? Daarom maak niet de fout dat Hij door Zijn dood alleen verlost. Is de liefde niet het wezenlijke van het leven en de inspanning van de liefde is de Menselijke vorm aannemen welke het beeld en de gelijkenis is waarin wij gemaakt moeten worden? Aldus is het niet de dood van de Heer op het kruis, maar in Zijn leven dat Hij ons zaligt of verlost. In Zijn goedertierenheid is er medelijden een aandoening van de liefde. Wat hier bedoeld wordt is dat barmhartigheid uit de liefde komt. Hier, door Zijn goedheid en waarheid aan ons te geven, geeft de Heer ons niet het leven? En worden wij niet wederverwekt en ontvangen wij niet het leven in meer overvloed?

 

Deze dingen betreffen de gevechten des Heren tegen de hellen: onder het gewaad waarin Hij eerwaardig was, en dat rood was, wordt het Woord verstaan, waaraan geweld was gepleegd door het Joodse volk; de strijd zelf tegen de hellen, en de overwinning daarover, wordt daarmede beschreven, dat Hij hen heeft getreden in Zijn toorn, en getrapt in Zijn ontsteking; dat Hij alleen en vanuit eigen macht heeft gestreden, wordt daarmede beschreven dat geen man met Mij was, en dat Mijn arm Mij heil heeft beschikt en dat Ik hen ter aarde heb doen nederdalen; dat Hij daardoor gezaligd en verlost heeft, wordt daarmede beschreven, dat Hij hun derhalve is geworden tot Heiland, om Zijn Liefde en Goedertierenheid heeft Hij hen verlost; dat dit de oorzaak was geweest van Zijn Komst, wordt beschreven met "de dag der wraak in Mijn hart, en het jaar Mijner verlosten is gekomen".

 

Hieraan kan toegevoegd worden dat het Goede of de Liefde het wezenlijke is en dat de Wijsheid of het Ware het bestaan is, en vanzelfsprekend door op aarde te komen was de nut waarin de goedheden en waarheden zijn. Zijn wij niet in het beeld en de gelijkenis van de Heer gemaakt, welke Zijn liefde en wijsheid is? Dus door het natuurlijk menselijke van de mens aan te nemen en die te verheerlijken zijn wij door Zijn Goddelijk Menselijke verlost, aldus was Zijn natuurlijk Menselijke, zoals Zijn Geestelijke en Hemelse, Goddelijk gemaakt.

 

Het algehele Woord wijst naar Zijn Komst als de dag der wraak.

 

[3] Bij denzelfde:

Hij zag dat niet wie ook, en Hij ontzette Zich dat er niet een bemiddelaar was; derhalve heeft Zijn arm Hem heil beschikt, en Zijn Gerechtigheid ondersteunde Hem:

vandaar heeft Hij aangetrokken Gerechtigheid als een pantsier, en de helm des Heils op Zijn hoofd, en aangedaan de klederen der wraak, en Hij dekte Zich met ijver zoals met een mantel; toen kwam Hij tot Zion als Verlosser (Jesaja LIX: 16, 17, 20).

 

De macht te verlossen wordt dikwijls beschreven als de komst van de waarheid, dat wil zeggen, dat de waarheid u bevrijden zal. En vanzelfsprekend zou niemand zeggen dat de Heer, zijnde omnipotent, niet almachtig is. Toch is de waarheid op zich niet de macht die bedoeld wordt, maar het is door de Goedheid van de Liefde van God door middel van het Goddelijke Ware uit de Heer dat de Macht betekent. In feite komt de gehele schepping uit de Heer en dus komt de mens in de Hemel alleen door middel van die Goddelijke macht. Dus is het door Zijn 'eigen arm' of door Zijn eigen macht dat heil aan de mensheid is gebracht. Terwijl Hij het natuurlijk menselijke aannam is de Heer derhalve door verzoekingen, gevechten en overwinningen, goed en rechtvaardig geworden en dus door Zijn eigen macht is Hij de Gerechtigheid Zelf geworden, dat wil zeggen, het Goddelijk Menselijke. Dus is het door Zijn voortdurende gevechten en overwinningen binnenin Zichzelf terwijl op aarde, in Zijn menselijke, dat Hij oneindig Goddelijk is geworden, dus het menselijke van de mensheid afleggen. Door de helm des heils wordt de Goddelijke waarheid uit het Goddelijke goede bedoeld, doorwelk de zaliging van kracht wordt.

 

Door naar Zion te komen, kwam Hij tot de Hemelen en de Kerk en bracht opnieuw orde tot deze.

 

We zien dat:

deze dingen eveneens zijn geschreven aangaande de gevechten des Heren, toen Hij in de wereld was, tegen de hellen: dat Hij alleen vanuit eigen macht heeft gestreden tegen dezelve, wordt daaronder verstaan " dat Hij zag dat er niet wie ook was; derhalve heeft Zijn arm Hem heil beschikt"; dat Hij vandaar Gerechtigheid is geworden, wordt daaronder verstaan "dat Zijn Gerechtigheid Hem ondersteunde, vandaar heeft Hij Gerechtigheid aangetrokken als een pantsier"; dat Hij zo verloste, onder "toen kwam Hij tot Zion als Verlosser".

 

[4] Bij Jeremia:

Zij zijn verbijsterd, hun sterken zijn verslagen, zij hebben de vlucht gevlucht, en niet omgezien: die Dag voor de Heer Jehovih Zebaoth, een dag der wraakneming, om wraak te nemen op Zijn vijanden, en het zwaard zal verteren, en verzadigd worden (XLVI: 5, 10)

 

Wie ziet niet dat de Heer niet het zwaard opnam en degenen die boos waren vernietigde of 'verteerde'? Door het zwaard wordt in het Woord de waarheid van het geloof bedoeld die tegen de boosheden strijdt en zo een eind aan valsheden maakt. Wanneer de Heer Jehovih Zebaoth wordt genoemd, heeft het betrekking op een leger of schaar en men kan begrijpen dat het enige leger dat 'als het ware' van de Heer is zijn de waarheden en de goedheden die leiden tot de stichting van de Kerk en de Hemel. 'Sterken' zijn de dingen op aarde die over het hart en gemoed van de mens regeren de boosheden en valsheden.

 

[4] Vervolg. De strijd des Heren met de hellen en de overwinning op dezelve, worden daarmede beschreven, dat zij verbijsterd zijn, dat hun sterken zijn verslagen, een vlucht hebben gevlucht, en niet hebben omgezien; hun sterken en de vijanden zijn de hellen, omdat allen daar de Heer haat toedragen; Zijn komst in de wereld deswege, wordt verstaan onder "Die Dag voor de Heer Jehovih Zebaoth, een dag der wraakneming, om wraak te nemen op Zijn vijanden".

 

[5] Bij denzelfde:

Vallen zullen de jongelingen in de straten, en alle krijgslieden zullen worden uitgeroeid in die Dag (Jeremia  XLIX: 26)

 

Bij Jol:

Jehovah verheft de stem vr Zijn leger; groot de dag van Jehovah, zeer verschrikkelijk; wie dan zal dien verdragen (II: 11)

 

Bij Zefanja:

In de dag des slachtoffers van Jehovah zal Ik bezoeking doen, over de vorsten, over de zonen des konings, over allen bekleed met het bekleedsel van de vreemde: deze Dag, dag der benauwdheid, dag der bazuin en des geklanks (Zefanja I: 8, 9, 15, 16)

 

Bij Zacharia:

Jehovah zal uitgaan, en strijden tegen de natin, naar de dag van Zijn strijden in de dag van de veldslag. Staan zullen Zijn voeten in die Dag op de Olijfberg, zijnde vr het aangezicht van Jeruzalem. Dan zult gij vluchten in de vallei Mijner bergen. In die dag zal niet zijn licht en glans. Jehovah echter zal zijn tot Koning over het ganse Land: in die Dag zal zijn Jehovah n, en Zijn Naam n (Zacharia XIV: 3-6, 9)

 

Dit heeft betrekking op de Komst van de Heer. Hij is het die de waarheden en de goedheden in de wereld brengt waar het boze en de valsheden geregeerd hadden, want wordt dit niet door 'licht'- de waarheid - bedoeld en heeft het gewaad van de Heer met licht geschenen toen Hij op de Berg stond? En verder, zijn de prinsen van de wereld niet gevallen toen de Heer door Zijn leven hen overwon?

 

[4] Vervolg. In deze plaatsen wordt ook gehandeld over de Gevechten des Heren: onder die Dag wordt Zijn Komst verstaan: de Olijfberg, die vr het aangezicht van Jeruzalem is, was de plaats waar de Heer gewoon was te vertoeven; men zie Markus XIII: 3, 4; XIV: 26; Lukas XXI: 37; XXII: 39; Johannes VIII: 1; en elders.

 

Er zijn nog veel meer plaatsen in de Psalmen waarin de komst van de Heer wordt aangetoond, Zijn gevechten tegen de hellen, het onderjukken daarvan en dat Hij Zijn Menselijke verheerlijkte. Dit wordt gezien in De Leer van het Nieuwe Jeruzalem over de Heer 14 [6].

 

Het Einde

 

Keer terug naar het begin.